Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Boven- en benedenwereld beide zijn, volgens Aristoteles, besloten in de ruimte en in den tijd. Een ledige ruimte bestaat er niet; de ruimte reikt met verder dan het gebied der met stof vervulde natuur. Ruimte ; is met anders dan de plaats die een ding inneemt en zij wordt bepaald door de grens, die het omsluitende lichaam van het omsloten lichaam scheidt. Zooals de ruimte afhangt van het aanwezig zijn der dingen, zoo hangt de tijd af van hunne beweging. Tijd is de maat of het getal der beweging in betrekking tot vroeger en later; tijd is dus de reeks van momenten, waaruit het bewegingsproces bestaat.

De bovenwereld is krachtens haar hoogere natuur boven de veranderlijkheid verheven, die j uist het voornaamste ken merk van de ondermaansche wereld is. Daar bevinden de elementen zich in een gestadige wisselwerking, die voornamelijk veroorzaakt wordt door den invloed, die uitgaat van de sfeer der planeten. Debetrekkelijkeonregelmatigheid der banen, waarin zij zich bewegen, veroorzaakt in de aardsche sfeer allerlei wisseling, in de eerste plaats die van warmte en koude. De planeet, die de aardsche toestanden het meest beïnvloedt, is de zon. De ongelijkmatige verwarming, waaraan de elementen onderworpen zijn, veroorzaakt een wisselwerking der stoffen, waardoor zij van aard en samenstelling veranderen, en in dit omzettingsproces worden die stoffen zelf onder den invloed der hemellichamen onophoudelijk van het aardsche centrum naar de peripherie, en van de peripherie naar het centrum gevoerd. Aldus heeft ook de aarde deel aan den kringloop des levens, aan de groote levensbeweging, die heel het heelal doortrilt en haar oorsprong vindt in het eeuwig onvergankelijk leven van den denkenden, goddelijken geest.

Uit de natuurphilosophie van Aristoteles blijkt wel duidelijk, dat hij met de materialistische atomenleer van Demokritus, die wij reeds hebben leeren kennen, geen vrede kon hebben. Hij komt met nadruk op voor eene dynamische natuurbeschouwing, volgens welke in de dingen, een doelstellend beginsel is gelegd, dat als de eerste en voornaamste oorzaak van alle ontwikkeling is te beschouwen en alle mechanische werkingen dienstbaar maakt aan de bereiking van een einddoel. Alle beweging en ontwikkeling is dus niet in de

Sluiten