Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORDRACHT LX.

ARISTOTELES.

(vervolg.)

Van de grondbegrippen, die Aristoteles voor zijne wetenschappelijke wereldbeschouwing noodig had en die sedert voor de wetenschap onmisbaar zijn gebleken, hebben wij er één nog niet genoemd, te weten: het begrip van het organische. Toen hij de door hem ingevoerde onderscheiding van stof en vorm op het gebied der levende wezens ging toepassen, bleek het hem noodzakelijk scherp te onderscheiden tusschen het organische en het anorganische.

Orgaan beteekent oorspronkelijk: werktuig. Wat hij onder het organische verstaat, blijkt duidelijk, wanneer men die beteekenis van werktuig toepast op de leer van Aristoteles aangaande den invloed van den vorm, als uitwendige oorzaak, op het wordingsproces, dat zich in de materie voltrekt. Naar zijn opvatting zijn de deelen van een natuurproduct organisch, voor zoover zij als werktuigen dienen tot realiseering van het vormend beginsel, van de '.entelechie", die als inwendige dynamische oorzaak, als hoogste levenswet, de ontwikkeling van dat natuurproduct beheerscht. Krachtens die hoogste levenswet brengen die organische deelen datgene te voorschijn, waarop het geheel naar den aard van zijn bestaanswijze is aangelegd. Die deelen zijn de werktuigen, de organen, die in hun samenwerking dienen om het doel, dat als immanente levenswet de ontwikkeling van het geheel bepaalt, tot openbaring te brengen.

Inzonderheid voor het gebied van het organische mag de reeds meermalen aangehaalde bewering van Aristoteles van geldigheid worden geacht, dat het geheel er vroeger is dan zijn deelen. Door

Sluiten