Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mingsleer heeft dit alles niets te maken; want de aard en het type van elke soort is voor eeuwig en altijd vast bepaald; overgang van de eene soort in de andere is volstrekt uitgesloten.

Bij den bouw van het dierlijk organisme onderscheidt Aristoteles de „gelijkdeelige" bestanddeelen, zooals bloed, vet, merg, hersenen, vleesch, beenderen, enz. van die bestanddeelen, welke uit die „gelijkdeelige" zijn samengesteld of opgebouwd, zooals: voet, hand, kop enz. Zenuwen kent hij niet; het vleesch is de zetel van de gewaarwording en het gevoel, en aldus grondslag van het zieleleven. Het bloed dient tot voeding van de vaste bestanddeelen; de hersenen dienen tot afkoeling van het bloed en van de uit het hart opstijgende warmte; het eigenhjke centraalorgaan is datzelfde hart. Het hart is de bron der levenswarmte en dus tevens het orgaan van het „pneuma," van den levensgeest; dit pneuma vormt een overgang tusschen het physiologisch en het psychologisch gebied. Bij de op den allerlaagsten trap staande soorten, die blijven voortleven,, wanneer men ze in stukken snijdt, is zulk een centralisatie van het organisme nog niet aanwezig.

De physiologie van Aristoteles komt in groote trekken neer

op het volgende. Het voedsel, door de maag opgenomen, wordt onder inwerking van het „pneuma" en van de dierlijke warmte in

dit orgaan omgewerkt, vervolgens in de met de spijsverterines-

organen in verbinding staande aderen verdampt en daarna als

K1no<4n.n<.<» ........ U»4. 1 1 1 T~\_i UI 1 i li ' .- 1 'a.

uiutunaiti uaai «ei unit gcvuciu. uu uiueuwaier worui in nel

hart in bloed omgezet en doorstroomt het geheele lichaam om het in al zijn onderdeden te voeden. Het beste gaat naar het vleesch en de zintuigen, de rest is goed genoeg tot voeding van haren, beenderen en dergelijke; wat niet als voedsel dienen kan, 'wordt

uitgeworpen.

Onderscheid tusschen aderen en slagaderen kent Aristoteles niet; evenmin is de bloedsomloop hem bekend. De bloedbereiding in het hart heeft plaats door „koken"; vandaar de polsslag en de

ademhalingsverschijnselen. De ademhaling dient, evenals de hersen¬

functie, tot afkoeling van het heete bloed. Daar Aristoteles van

Sluiten