Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kerkelijke dogmatiek van vroeger en later tijd heeft voortgeborduurd Wij mogen van de psychologie van Aristoteles geen afscheid nemen, alvorens eenige oogenblikken stil te staan bij hetgeen hij omtrent de wetmatigheid in het verloop der bewustzijnsverschijnselen heeft opgemerkt. Hij tracht daarbij het verband en de wisselwerking tusschen de psychische, de organische endephysiologische verschijnselen zooveel mogelijk op den voorgrond te brengen. Dat gelukt hem maar ten halve; en dat is in hoofdzaak te wijten aan de omstandigheid, dat hij volslagen onbekend is met de functies van het zenuwstelsel en de hersenen; niet die laatste zijn namelijk volgens hem het psychophysische centraalorgaan rnaar het hart.

Toch is Aristoteles er inderdaad in geslaagd wetten op te sporen, volgens welke de associatie en de reproductie der voorstellingen haar verloop hebben. Hem is niet onbekend, dat reproductie niet voorkomt, zonder dat associatie is voorafgegaan Die associatie hangt, volgens hem, af i° van de overeenkomst, 2° van het contrast, dat tusschen de voorstellingen bestaat en 3° van hare volgorde in den tijd. Ook voor het verschijnsel van de reproductie van voorstelhngsreeksen tracht hij een verklaring te vinden.

De onwillekeurige, zoowel als de opzettelijke herinnering het zoogenaamde „zich bezinnen", gaat, - dit heeft zijn speurzin reeds ontdekt! - gepaard met eene, zij het dan ook zwakkere, herhaling der physiologische processen, die aanvankelijk de waarneming hebben begeleid; de organen, waarin die processen zich afspelen, zijn met de hersenen en zenuwbanen, maar het hart en de bloed^ kanalen. Reeds bij Aristoteles treffen wij dus eene, zij het dan ook nog maar weinig uitgewerkte theorie aangaande het voorstellingsmechanisme aan, die in veel opzichten herinnert aan de voorstellingstheorie van Herbart. Reeds Aristoteles leert, dat de sterkere voorstelling de zwakkere uit het bewustzijn verdringt en dat gelijksoortige voorstellingen elkander versterken, eene zoogenaamde versmelting kunnen vormen, terwijl ongelijksoortige elkander verdringen. Wat de leer der gemoedsbewegingen betreft, maakt Aristoteles

Sluiten