Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Evenals Plato denkt Aristoteles in dit verband aan de „polis" den Helleenschen „stadstaat," welks bestaan, zooals wij weten op de aanwezigheid van een talrijk vertegenwoordigden slavenstand berustte. Het doel van den staat is niet aan elk burger de voor hem meest geschikte arbeidstaak toe te wijzen, doch veeleer hem de noodzaak tot materiëelen arbeid van de schouders te wentelen opdat hem vrijen tijd in overvloed gegund zij, die het hem mogelijk maakt zijne persoonlijkheid in gezellig verkeer, in de beoefening der wetenschap en niet het minst in levendige deelneming aan het staatkundig leven en aan de behartiging der staatszaken tot volkomen ontwikkeling te brengen. Wie handenarbeid verricht is geen staatsburger in den vollen zin des woords; zelfs de kunstenaars zijn van deze beperking niet uitgesloten.

De staat is er niet, althans niet alleen, om de burgers te beschermen en het algemeen welzijn te bevorderen. De staat is veeleer het concrete middel tot verwerkelijking van het ethisch ideaal voor zoo veel mogelijk individuen tegelijk. Zedelijkheid is noch voorden enkeling noch voor de maatschappij te bereiken zonder directe medewerking van staatswege; inzonderheid is de deugd der gerechtigheid zonder den staat niet denkbaar. Want de voornaamste weg die tot de deugd leidt, is de gewenning en die gewenning is niet mogehjk .zonder de aanwezigheid van een autoritair gezag, op redelijkheid gegrond, dat tevens de macht heeft om desnoods af te dwingen, wat door de hoogste zedewet wordt geëischt.

De staat is onder alle organismen het hoogste. Daarom geldt ook voor den staat het eerste aller metaphysische grondbeginselen, ' dat hetgeen in de rangorde der ontwikkeling het laatste is, als ideale bestaans- en wezensgrond het eerste behoort genoemd te worden. De staat is het groote, alles omvattende organisme van menschehjke samenleving; alle sociale, godsdienstige, educatieve regelingen zijn in hem besloten. Staat en maatschappij zijn één.

In het groote lichaam van den staat zijn de burgers de enkele leden. Ieder burger heeft te doen, wat het zijne is, wat aan zijn aard en aanleg beantwoordt. Het staatslichaam heeft edele en

Sluiten