Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

langoor, die zich alles van mij liet welgevallen. Echter zag ik nooit mijn kans schoon. Tot op een middag Josjo, mèt een bos distels èn een electrischen ventilator èn een kom water, alleen onder een zonnetent, midden op het grasperk, lag te suffen. Van Arie had ik vernomen dat hij dien dag in een best buitje was. Niemand bevond zich in de nabijheid, zelfs de lijfarts niet. Nu of nooit dacht ik.

„Al wascht die zich," beval ik. De ezel onderging de betoovering van de klanken;'weerstond ze niet. En daar kwam het, een stroom goud! Maar terwijl ik haastig den niet te stuiten overvloed bijeenraapte, kwamen daar de vier lakeien die Arie vergezelden. En de lakeien zagen het wonderverscbijnsel, en Arie begréép dat het geheim hopeloos was verraden.

Hij vloekte geweldig, trok in zijn ontoerekenbare drift den browning uit den zak en vuurde in mijn richting.

Met een hik en een snik zakte Josjo getroffen in elkaar; daarop viel Arie neer met schuim op den mond; de bedienden schoten ontsteld toe. Van die omstandigheid maakte ik gebruik, stoof het hek uit en halsoverkop den Monte Mario af. Ik heb toen stellig alle snelheidsrecords met minuten geslagen.

Ademloos kwam ik thuis, vond er inde vestibule drie schuldeischers.

„Ik zal jullie betalen!" zegevierde ik, té blij met mijn zakken vol goud om berouw over mijn noodlottig verraad te gevoelen. „Wacht maar even!"

En in mijn kamer, boven den divan, keerde ik mijn zakken uit.

Het was een bérg!

Maar de duivel hale alle ezels mèt nukken èn een goed geheugen: — het bleken allemaal, zonder uitzondering, gemeene beenen en stalen knoopen in goud-papier gewikkeld.

Josjo had drommels goed onthouden, al liet hij, schijnheilig, nooit iets merken, wie hem eens met steenen had gegooid.

Martin Invallen

Sluiten