Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stonden te wachten. Anders hadden ze nu de krant al rondgebracht, een vrijen dag voor den boeg... Nu, om de kuren van deneUendigennachtredacteur, moestenze wachten. Ze groetten hem niet en hij, giftig, uitgewerkt, deed stug en vinnig. Toen, juist toen hij heen gaan wilde, de straat op, waar de zon reeds scheen, kwam een telegramloopertje, bracht een stapeltje telegrammen: de ontbrekende!

„Hè, wachten", riep hij barsch, brak de zegels open. Ze waren een uur en drie kwartier geleden afgeteekend: één uur en drié kwartier, had de aap van 'n jongen er over gedaan om van het telegraafkantoor, vijf minuten loopen van de krant vandaan, naar hier te komen.

„Wat heb jij uitgevoerd onderweg?" kwam hij razend.

„Niks m'nheer," loog de jongen en liep meteen hard weg, bang voor een mep van den kwaadaardigen m'nheer, die eruit zag of hij op springen stond.

De nachtredacteur rende met twee treden tegelijk de trap op, belde het telegraafkantoor op, foeterde wild tegen den ambtenaar, die beloofde er werk van te maken en ging toen aan z n sclmjfmachine zitten om een lang verslag te geven aan hoofdredactie en directie van zijn schromelijken pech.

Toen hij om zes uur het gebouw uitging regende het met stroomen. „Krant m'nheer?" vroeg de portier.

„Nee — ik kan het ding niet zien," beet hij van zich af.

Doornat kwam hij thuis, droomde van bergen telegrammen, die op hem neervielen en hem langzaam verstikten.

Dat was de rustige nacht, waarvan hij zich zooveel had voorgesteld.

Eerst Maandagavond, toen het avondblad hem werdbezord, ontdekte hij.dat nietLloydGeorge enniet AsquithennietSmuts, doch Winston Churchill de oneindige rede had gehouden. 46

Sluiten