Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staarden naar het punt, waar de vlammenzuil ten hemel sloeg. Toen zeide iemand: „Vroeger zag je hier den vuurtoren en de heele kade van Messina, een lange rij van lichtjes, die in het water spiegelden".

„Nu is het donker", zei een ander somber.

„Zie je wel, dat het uit is, dat Messina niet meer bestaat?"

„Je liegt, je liegt, hondsvod!" tierde opeens de man, die zijn vrouw en kinderen ging zoeken. „Je liegt!" en wild stoof hij op den ander af, die struikelde in de botsing. „Madonna mia!! Zwijn, zwijn, dat je bent!"

Met ons allen wierpen wij ons op den vertwijfelende, rukten hem het lange dolkmes uit de handen, kregen hem, na een woeste worsteling, waarbij bij ons met bovenmenschelijke kracht over de spoorstaven kon sleepen en van den dijk af deed tuimelen in de dichte heg van cactussen, stevig te pakken.

„Laat maar los", kwam hij opeens, ineenzakkend, alle krachten gebroken. „Laat maar los, ik kan toch niet meer. En misschien, misschien zijn ze toch niet dood, staat het huis er nog, zijn ze gered, leven ze nog, zie ik ze weer". En krampachtig begon hij te snikken.

Toen wij den volgenden dag naar Messina overstaken, sprong hij al aan wal eer de sloep gemeerd lag en rende de met puin bedekte straten over. Dienzelfden middag zagen wij hem hoe hij alleen stond te wroeten tusschen steenen en balken. Het bloed siepelde hem van de handen, denagels waren afgescheurd, zijn uniform hing aan flarden. „Hier moet het wezen, hier moet het wezen*, prevelde hij voor zich uit, ons aanstarend met waanzinnige oogen zonder besef, zonder ons te herkennen.

En zoo waren er duizenden, daar in Messina en in de andere steden en dorpen, die de ramp getroffen had.

Sluiten