Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. Zinnen nazeggen van zes lettergrepen.

Ik ga met vader uit, Jo is een lief meisje, enz.

't Kan noodig zijn, eerst een paar kortere te laten nazeggen, om 't kind op streek te helpen.

3. Twee getallen van één cijfer nazeggen.

3. 7 — 4, 9 — 6, 1 enz. Van de drie keer moet het éénmaal gelukken. Ook hier is 't goed, eerst eenige keeren één getal te laten nazeggen. Men wachte tusschen de twee ongeveer een halve seconde.

4. Den familienaam kannen noemen. Hoe heet je? „Koos". En hoe nog meer?

5. Zeggen, wat er op een eenvoudige plaat staat.

De auteurs nemen drie ongekleurde platen ter grootte van een briefkaart. Op de eerste ziet men een man en een jongetje voor een kar met huisraad trekken, ze schijnen de stad (op den achtergrond) te verlaten; het geheel maakt een armoedigen indruk. Op de tweede zitten een heer en dame, die waarschijnlijk geen onderdak hebben, doch er netjes uitzien, in de sneeuw op een bank te slapen. Op de derde staat afgebeeld een gevangene, die op zijn bed staat, om door het kleine venster te kunnen zien 1).

Wat is dat? „Een plaatje". En wat staat er op? „Een man, een jongen, een kar." Zoo'n eenvoudige opsomming is voldoende. Over de eigenlijke bedoeling van de plaat behoeft dus nog niets gezegd te worden.

4 jaar.

1- Het geslacht kunnen zeggen.

Ben je een jongetje? Ben je dan een meisje?

2. Drie bekende voorwerpen kunnen benoemen.

Men laat achtereenvolgens een sleutel, een gesloten zakmes en een cent zien en vraagt naar de namen daarvan.

3. Drie getallen kunnen nazeggen. 7, 1, 4 — 2, 3, 6 - 6, 3, 9.

4. Een klein verschil in lengte zien.

Men teekene twee lijnen, resp. 5 en 6 cM. lang, evenwijdig aan elkaar met een tusschenruimte van 3 cM. 't Kind moet kunnen zeggen, welke de langste is. Wat is een kleintje? Wat is een groote?

5 jaar.

1. Vergelijken van twee gewichten.

Men neme twee doosjes van denzelfden vorm en gelijke kleur, resp. .3 en 12 gram wegende, 't Kind moet ze of met beide handen of beurtelings met dezelfde hand schatten en zeggen, welke van de twee het zwaarst is. Daarna de proef herhalen met twee van 6 en 15 gram.

2. Met de pen een vierkant van 3 a 4 cM. nateekenen.

't Komt meer aan op vrij rechte lijnen en hoeken dan op nauwkeurige gelijkheid van lengte en breedte. Dat het met de pen moet, maakt de moeilijkheid grooter.

3. Nazeggen van tienlettergrepige zinnen.

Ik ga vanmiddag naar mijn Grootmoeder. Mijn hobbelpaard heeft de poot gebroken, enz.

4. Vier geldstukken tellen,

Het kind moet de centen onder het tellen aanwijzen.

1) Soortgelijke en voor 't doel even geschikte plaatjes vindt men o. a. in Schreuders Prent schriften voor 't Stelonderwijs.

Sluiten