Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5 Van twee driehoeken een rechthoek maken.

Men legae voor het kind twee rechthoekige kartonnen driehoeken neer van 7 5 bil 45 cM., met een afstand van eenige centimeters tusschen de twee staande zijden ; daarvan moet het door verschuiven een gegeven rechthoek maken. Het moet dus ^| [7 veranderen in 0 zonder ze op te nemen.

6 jaar.

1. Zeggen, of het vóór- of namiddag is.

Soms moet men vragen: Is het ochtend of wel morgen, inplaats van voormiddag.

2. Eenvoudige definities geven.

Wat is een paard, een vork, een moeder, een stoel, enz.? tls voldoende, als een kind het nut, den dienst, het gebruik, enz. aangeeft.

„Een vork is om te eten. Een moeder is om eten te koken. Een paard ts om te trekken. Een stoel daar kan je op zitten."

3. Een ruit nateekenen.

4. Dertien geldstukken tellen.

Ze moeten onder het tellen weer met den vinger aangewezen worden.

5. Mooie en leelijke gezichten onderscheiden.

Od drie afzonderlijke stukken papier teekene men een regelmatig en een leelijk aezicht- op het tweede staat het mooie b.v. rechts en op de andere twee links: Nu moet het kind alle drie keeren het mooie gezicht kunnen aanwijzen, t Verschil tusschen de twee moet groot zijn.

7 jaar.

1. Rechts en links kunnen onderscheiden.

Steek de rechterhand omhoog. Waar zit je linkeroor?

2. In zinnen zeggen, wat er op een plaat staat.

Men neme dezelfde platen als bi) test 5 van drie jaar.Wat zie ye op de plaat? „Een meneer en een kleine jongen, die een kar trekken . En op deze? Een heer en een dame, die slapen op een bank. En wat staat hier op? „Dat 'is een man, die op zijn bed staat, om door 't venster te zien.

3. Drie opdrachten onthouden. ■

Leo dit boek op de tafel, neem dan een glas uit de kast en haal mij wat water uit de keuken, dus: 't boek op de tafel, een glas uit de kast. water uit de keuken. In dezen vorm wordt de opdracht kort herhaald.

4 Drie stuivers en drie dubbeltjes in stuivers optellen.

Tel eens, hoeveel stuivers dit samen is. 't Kind telt: één, twee, dne, vier en vijf zes en zeven, acht en negen. Of wel: één, twee, drie, vijf. zeven, negen. Het moet niet langer dan 5 a 10 seconden duren.

5 De vier hoofdkleuren kunnen benoemen.

Men neme hiervoor een aantal roode, gele, blauwe en groene papierstiookjes van 6 bij 2 cM., die men op karton plakt. Dan vrage men doorelkaar: Welke kleur is dit? en dit? enz.

8 jaar.

1. Uit het geheugen twee dingen vergelijken. ' ' '

Ken je wel een vlinder? Ook wel een vlieg (mug)? Is dat hetzelfde, een vlinder en een vlieg? Waarom niet?

Zoo ook met hout en glas, been en vleesch.

2. Terugtellen van 20 tot 0. . , Men mag ze even op weg helpen. In 20 seconden moeten ze klaar zijn en

ze mogen maar één vergissing begaan.

Sluiten