Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mogelijk lichtstralen in op te vangert en het voorwerp dus zoo helder mogelijk te zien; het is het zoogenaamde oogpunt.

§ 4. Mechanische inrichting van den kyker. Bij het achtereenvolgens richten van den kijker op punten, die op verschillende j afstanden gelegen zijn, zal het werkelijke beeld B, flg. 5* en 51', steeds op een anderen afstand van het objectief gevormd worden; daar de kruisdraden echter altijd met dat beeld moeten samenvallen, zoo is het noodig, dat hun afstand tot het objectief veranderd kunne worden. Wil men het virtueele beeld G van voorwerp en kruisdraden duidelijk waarnemen, zoo moet het op dëh afstand van duidelijk zien van het oog gelegen zijn; daar deze afstand niet voor alle personen dezelfde is en de plaats van het beeld G afhangt van den afstand van het oculair tot de draden, moet ook de laatstgenoemde afstand geregeld kunnen worden.

Hoe de beweging van objectief, kruisdraden en oculair ten opzichte van elkaar plaats heeft, kan blijken uit flg. 6, waar de meest voorkomende mechanische inrichting van den kijker in verband met flg. 5a en 5b is aangegeven.

In de kijkerbuis E, die aan haar vooreinde het objectief V bevat, kan een tweede kleinere buis F verschoven worden en wel door middel van een geranden kop K, die een rondseltje in beweging brengt, dat op de aan de buis F bevestigde heugelstang werkt. In deze buis, die den naam van oculairbuis draagt en bij H een diaphragma bevat, waarop de kruisdraden bevestigd zijn, kan een derde buisje G met de hand verschoven, bij sommige instrumenten in- en uitgeschroefd worden. Dit laatste buisje bevat aan de eene zijde het oculair O en is aan de andere zijde gesloten door den zoogenaamden oogdop L, waarin eene opening zoodanig is aangebracht, dat het daarachter geplaatste oog zich jüist in het oogpunt bevindt.

Door de beweging van het buisje G wordt nu de afstand van het oculair tot de draden geregeld, in verband1 met den afstand van duidelijk zien van den'waarnemer, terwijl de afstand van de draden tot het objectief in verband met den afstand van het voorwerp, geregeld wordt door de verschuiving van de oculairbuis (dus te zamen met de draden en het oculair) , • met behulp van den geranden kop K.

Soms treft men eene eenigszins andere constructie aan, waarbij 'de oculairbuis met de kijkerbuis als het ware een geheel vormt, maar het objectief in een afzonderlijk buisje gevat is, dat door niiddel van rondsel en heugelstang in de kijkerbuis kap ver-

Sluiten