Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

groote hoeken wordt deze fout van meer belang en het is dan zaak, de samenvalling meer op de juiste plaats waar te nemen.

Of de beelden zich bij de waarneming een weinig rechts of links van het midden van het gezichtsveld bevinden, is geheel onverschillig, daar men de twee spiegels te zamen kan draaien om eene as, evenwijdig met hunne gem'eene doorsnede, zonder dat daardoor de richting van den tweemaal teruggekaatsten lichtstraal verandert. Alleen als het linkervoorwerp zich zeer dichtbij bevindt en men dus eene. correctie voor de spiegelparallax moet aanbrengen, is het zaak nauwer op deze omstandigheid te letten, dewijl het niet invallen van de lichtstralen volgens de as van den kijker eene verandering van den afstand d (§ 55) ten gevolge heeft, die bij eene kleine waarde van den afstand D van het linkervoorwerp de grootte van de spiegelparallax merkbaar verandert.

§ 57. Voorwaarden van regeling. Om de hoeken volgens het in § 51 behandelde beginsel 'te kunnen meten, is het noodig: 1°. dat de groote spiegel rechthoekig staat op het vlak van den cirkelrand; 2°. dat de kleine spiegel rechthoekig staat op dat vlak; en 3°. dat de as van den kijker evenwijdig loopt aan datzelfde vlak. Aan deze drie voorwaarden, kan door regeling van het instrument voldaan worden.

Verschillende fouten echter, voortvloeiende uit de niet juiste verdeeling van den cirkelrand of van den nonius, uit de excentriciteit van den grooten spiegel of van de as der alhidade ten opzichte van den cirkelrand, uit de niet-evenwijdigheid van voor- en achter vlak' van de spiegels, enz., kunnen niet door regeling voorkomen worden, en moeten dus bij de uitkomsten der meting in rekening gebracht wórden.

§ 58. Regeling van den grooten spiegel. Om te onderzoeken of de groote spiegel rechthoekig staat op het vlak van den cirkelrand, plaatst men de alhidade in dier voege, dat de groote spiegel nagenoeg op het midden van den rand gericht is, en houdt dan de sextant voor het oog, op de wijze als in fig. 69a is aangewezen. In den spiegel zal men nu het uiteinde A van den rand zien, langs dien spiegel het andere uiteinde A'; deze beide moeten samenvallen als do spiegel werkelijk rechthoekig op den rand staat, want het spiegelbeeld van A, fig. 69", vormt zich op de normaal AA' op den spiegel en komt dus in A'.

Helt daarentegen de spiegel, bijv. voorover zooals in fig. 69c, dan vormt zich het beeld van A op de normaal AA" en komt

Sluiten