Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terwijl men bij hellende vizierlijn slechte met cos% voor de afstanden en met i sin 2* voor de hoogteverschillen behoeft te vermenig. vuldigen;twee berekeningen, die met een speciaal daarvoor ingerichte rekenliniaal gemakkelijk kunnen uitgevoerd worden.

Bovengenoemde voordeelen kan men verkrijgen, door in den kijker eene centraliseerende lens aan te brengen, dat is eene lens, die zich tusschen de draden en het objectief op een bêpaalden afstand van hel objectief bevindt, en het punt, van waaraf de afstand evenredig is met de op de baak afgelezen hoogte h, naar het midden van het instrument verplaatst. (*)

Zij RST, fig. 113, die centraliseerende lens op een afstand BB== e van de objectieflens verwijderd en daarmede zoodanig verbonden, dat zij niet met de draden mee beweegt bij het instellen op de baak HG.

Trekken wij dan weer uit G en D de lichtstralen GS en DT evenwijdig met AS, dan worden deze gebroken naar het brandpunt Q van de centraliseerende lens; verder gaande, ontmoeten zij de objectieflens, worden daar gebroken, alsof zij uit'het punt P kwamen en ontmoeten eindelijk de baak in G en H Aangezien nu de hoek KPL constant is, zoo is de afstand PE evenredig met GH=h en dus MN= B = Ah-\- OP.

Ter berekening van OP merken wij op, dat P het virtueele beeld van Q is ten opzichte van de objectieflens, zoodat:

PB ~ BQ F

is, waaruit volgt: PP = B® - F(e~f) . f,. , ë ra F—BQ ~ F+f—e' fde brand' puntsafstand der centraliseerende lens voorstelt. Hieruit vinden wij eindelijk voor OP:

OP=OB — PB=G— F(e~n , F-\-f-e ■

Willen wij dus OP gelijk nul maken, d.i. het punt P in de as van het instrument brengen, dan moeten wij:

F(e — f)

F + f-f

eetoifLTh.8,?' de vereenvoudiei°g der berekening geeft en dat bij het Tl l nker Lt ™„H v™ 7"* * *ea regel niet °* ^en het naneef, dat een knkei met centraliseerende lens veel minder heldere beelden geeft.

Sluiten