Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staaf BP, die om het punt- P van de schijf F, als om een pool kan draaien. Volgt men nu met de stift A den- omtrek van een willekeurige figuur, dan ondergaat het rolletje C, bij zijne beweging over het papier, eene omdraaiing, die evenredig is met den inhoud dier figuur. Om dien inhoud te vinden, heeft men dus slechts de omdraaiing van het rolletje C te meten en met een zekeren coëfficiënt te vermenigvuldigen. Om die omdraaiing te kunnen meten, is aan het rolletje een trommel G verbonden, die in honderd gelijke deelen verdeeld is en waarop men dus'door middel van den index I, soms ook van een nonius, de onderdeelen van de omdraaiing kan aflezen, terwijl de heele omdraaiingen door middel van eene schroef zonder eind op het schijfje H worden overgebracht en daarop worden afgelezen.

De afstand van de as B tot. de stift A kan — na losdraaiing der klemschroeven L en L' — veranderd worden, om daardoor aan den coëfficiënt, waarvan boven sprake was, eene bepaalde waarde te geven. Is de stand van de as B voor eene bepaalde waarde van den coëfficiënt eens nauwkeurig bepaald, dan kan men die op de verdeeling óp de staaf AD met behulp van den nonius N aflezen en bij later gebruik met behulp van die verdeeling en van de aangebrachte micrometerschroef M de as weer in dien zelfden stand brengen. Enkele standen der as, overeenkomende met bepaalde waarden van den coëfficiënt, die bij het gebruik veel voorkomen, zijn op AD door streepjes aangegeven; deze streepjes worden bij den index gebracht, die zich tegenover den nonius bevindt.

Naast de fijne stift A bevindt zich veelal een tweede stift, die aaneen onderkant vlak is afgeslepen en op het papier rust om te voorkomen, dat de stift A er indringt.

§ 162. Inhoudsbepaling met den poolplanimeter. Laat in fig. 161 P de pool voorstellen, waarop de stang PB draait, laat verder AG de tweede stang, die in B met de eerste verbonden is, bij A de stift en bij Chet roljetje bevat, voorstellen; dan zal, als A het element AA' van den omtrek der figuur AA'E volgt; het rolletje den weg CC' afleggen. Laten wij uit C' eene loodlijn CD op BC neer, dan kunnen wij ons den weg CC' ontbonden denken in de twee deelen CD en DG'. Bij het doorloopen van het eerste gedeelte zal het rolletje niet om zijne as draaien, bij het doorloopen van het tweede- wel en daarbij zal zicli van het rolletje een stuk afwentelen gelijk aan CD. Meten wij die omwenteling in deelen van den omtrek (2ar) van

Sluiten