Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijk gelijk aan nul) en stemt dit niet overeen met het hoogteverschil, dat men door waterpassing gevonden heeft, zoo zal men uit de grootte der zoogenaamde sluit fout moeten beoordeelen of deze aan de onvermijdelijke waarnemingsfouten dari wel ook aan andere, grove fouten moet worden toegeschreven. (*) In het laatste geval moeten deze fouten door eene nieuwe waterpassing tusschen twee of meer der vaste punten worden opgespoord en verwijderd. In het eerste geval 'echter moet de gemaakte fout over de gevonden onderlinge hoogteverschillen van de opvolgende vaste punten verdeeld worden. Aangezien de fout in de waterpassing in het algemeen met de gewaterpaste lengte zal toenemen, zal het doelmatig zijn, de aan die hoogteverschillen aan te brengen correcties evenredig met de gezamenlijke lengten der slagen tusschen de betrokken vaste punten te stellen.

Heeft men tusschen twee punten, waarvan het hoogteverschil met bekend was, twee of meer waterpassingen langs denzelfden weg uitgevoerd, en heeft men daarin overeenkomstig het in § 199 gezegde telkens dezelfde vaste punten opgenomen, zoo kan men het hoogteverschil van twee opvolgende vaste punten eenvoudig gelijk nemen aan het gemiddelde van de hoogteverschillen, die men bij de verschillende waterpassingen daarvoor heeft gevonden. 'Wm

Anders is het echter, zoo de waterpassingen langs verschillende wegen met andere lengten, zijn verricht. Laten bijv tusschen de punten A en B, flg. 198, drie waterpassingen verricht zijn, respectievelijk lang lu l2 en Z3, en voor het hoogteverschil der punten A en B daarbij gevonden zijn hu h2 en ha; dan zal, zoo de waterpassingen onder ongeveer gelijke omstandigheden hebben plaats gehad, aan die uitkomst de meeste waarde moeten worden gehecht, welke berust op de waterpassing van de kortste lengte. In plaats dus van hier als eindresultaat het eenvoudige gemiddelde te nemen van de drie

( ) De theorie der fouten leert, dat onder overigens gelijke omstandigheden (zelfde mstrument, waarnemer, slaglengte, enz.) de middelbare fout in de waterpassing toeneemt met den vierkantswortel uit de gewaterpaste lengte (zie § 240 III) Deelt men alzdo de gevonden sluitfout door den wortel uit die lengte, uitgedrukt bijv in kilometers, zoo krijgt men bfl eene behporlnk uitgevoerde waterpassing de middelbare fout per kilometer. De grootte dezer fout, die natuurlijk van velerlei omstandigheden zal af hangel en o. a. met sterkere vergrooting van den kijker grootere gevoeligheid van het niveau en tot zekere grens ook met het kleiner worden der slaglengten afneemt, moet beneden eene bepaalde grens blijven, afhangende van het doel der waterpassing en van de bereikbare nauwkeurigheid met de beschikbare hulpmiddelen.

Sluiten