Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kan men, indien het hoogteverschil niet al te groot is, de twee correcties 3 en 3' aan elkaar gelijk stellen, waardoor uit bovenstaande formule de invloed van de straalbuiging geheel verdwijnt en zij dus in den volgenden eenvoudigen vorm overgaat:

e — e'

ft = a tg —— . (8)

Door de gelijktijdige wederkeerige waarnemingen wordt dus de invloed van de straalbuiging geëlimineerd en daardoor is men dus in staat veel nauwkeurigere uitkomsten te verkrijgen, dan, door de waarnemingen uit één uiteinde.

§ 208. Bepaling van den coëfficiënt der straalbuiging.

Den coëfficiënt /u. van de straalbuiging kan men bepalen, indien men den elevatiehoek meet in een punt, waarvan het hoogteverschil met het punt, waarop gericht wordt, bekend is. Uit (o) volgt namelijk, als h bekend is en men daaruit 3 oplost:

3 = e+' C- Bg tg --,

of, na deeling door C:

3 Bgtg^-e

(9)

Indien het hoogteverschil van de twee punten onbekend is, kan men dien coëfficiënt ook uit de gelijktijdige wederkeerige waarnemingen afleiden.

In driehoek ABC, fig. 208, is namelijk, zooals wij boven gezien hebben :

BAC = 90° + e — 3, ABC = 90°-\-e' — 3', AGB= C.

Daar nu de som van deze drie hoeken 180° moet bedragen, *zoo :is:

e + e' +C— 3_3' = 0, of: 3 + 3' = e -f- e' -f C,

of, als wij voor de gelijktijdige wederkeerige waarnemingen 3 = 3' = fi C stellen:

2> C=e + e'-(- C,

Sluiten