Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

\

in bepaalde richting van de juiste waarde der waargenomen grootheden afwijken.

Kunnen de bronnen van deze fouten worden opgespoord, zoo zijn die fouten te ontgaan: door regeling van de.instrumenten, of wel door de fouten te elimineeren, of ook door die fouteninvloeden zoo goed mogelijk in rekening te brengen.

De toevallige fouten van waarneming, voor zoover de bronnen daarvan zijn na te gaan, hebben hun ontstaan te danken o.m. aan onvolkomenheden in ons waarnemingsvermogen, afwisselende temperatuursverschillen, beweging in de lucht, onvasten stand van de instrumenten, ook aan den gemoedstoestand van den waarnemer, enz., voor zoover deze fouten een toevallig karakter hebben. In tegenstelling namelijk met de constante en regelmatige fouten kunnen de toevallige fouten evengoed negatief als positief zijn en kunnen, binnen zekere grenzen, alle mogelijke waarden bereiken.

Bij de meeste waarnemingen zijn verschillende oorzaken aan te wijzen, die aanleiding geven tot kleine fouten, welke evengoed positief als negatief kunnen zijn. Deze kleine fouten vormen gezamenlijk de toevallige fout in de waarneming, terwijl iedere oorzaak op zich zelf foutjes levert, die eveneens een toevallig karakter hebben.

Bij hoekmetingen bijvoorbeeld zijn meerdere bronnen van fouten aan te geven, die toevallige fouten veroorzaken (verg. § 43): 1°. de fouten in het richten, en wel vooreerst ten gevolge van onvolmaaktheid in het waarnemingsvermogen, verder ten gevolge van minder goede verlichting en niet symmetrische gedaante van het voorwerp waarop gericht wordt, van laterale refractie, van .onvolkomenheden van den kijker, van den niet volkomen vasten stand van het instrument, enz.; 2°. de fouten in het aflezen, die een gevolg kunnen zijn van de niet juiste verdeeling van den rand en van den nonius (voor zoover de daaruit voortspruitende fouten een toevallig karakter dragen), van minder zuivere afwerking der deelstrepen, van het al of niet aanwezig zijn van parallax bij het aflezen, enz.

Ieder van deze fouten-oorzaken kan eene kleine afwijking van de juiste waarde bij eene waarneming geven, die evengoed in den eenen als in den anderen zin kan optreden. Zijn toevalligerwijze de meeste van deze samenstellende foutjes positief, dan vertoont de meting eén vrij groote positieve fout; is — en hiervoor is de kans grooter — een deel der foutjes positief, het andere deel negatief, dan zal de resulteerende fout klein zijn,

Sluiten