Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE DONKERE DAGEN VOOR KERSTMIS.

Als de regen- en neveldagen zich met weergalooze halsstarrigheid rijen tot die tartend-vale reeksen zonder één fleurigen, fonkelenden zonneglimp en zonder de gezond-drukke, daverende rumoering van de sterke vroolijke winden, als inderdaad de allengs befaamd geworden „donkere dagen vóór Kerstmis" al te triestreëel bewijzen geven van hun weinig op prijs gestelde aanwezigheid — hoe druipen de muren van vocht, hoe staan de sparren in de nauw-begrensde wereld, als gesponnen in een cocon van mist! —, als al wat zang is en kleur en geur wel verdwenen schijnt voor altoos, zie, dan rest ons te midden van al de ons omringende verlatenheid de troost van het rijke souvenir en behalve de troost dezer herinnering het hoop-gevende van de goede toekomst.

Och, wij kweeken ook wel zoon beetje kunstmatig die donkere stemming, omdat wij geneigd zijn meer of minder den senümenteele uit te hangen. Maar bestaat hiervoor wel steeds een grondige reden ? Want het is verwonderlijk, hoe levend de natuur zich bijna steeds betoont en zelfs in haar dorste momenten woelt en dringt en werkt er nog zóó veel, dat van dood-zijn der natuur in geen geval sprake is. Alleen het leven manifesteert

Sluiten