Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo zijn er in den winter nog zoovéél vogels te observeeren en vooral allerlei trekvogels loonen de moeite hen gade te slaan ; van al die zwervers is er één vogel, die mij steeds het meest ontroert: de goudplüvier. Hij is zoo fragiel gebouwd, er klinkt in zijn roep zoo'n weemoed en moedig gedragen verdriet, dat hij wel de herfst- en wintervogel par excellence is. Nu is hij nog op den herfsttrek, maar over. een paar maanden, allicht op een gouden Februari-dag, zullen zijn wieken en die zijner honderden gouden genooten zich afteekenen tegen veel blauw en temidden van hen zullen zich bevinden de eerste kieviten, die hun juichkreet zullen- roepen boven de dorpen. Dat zal het waarachtig begin der lente zijn, dan zullen de dagen weer geurig worden en het liefdespel der vogels weldra herbeginnen als ieder jaar in al zijn naïveteit, in al zijn opgetogenheid en franke kinderlijkheid. Dan zullen ze weer allen present zijn: scholekster en tureluur, kemphaan en grutto en hoe al die jolige kornuiten verder mogen heeten.

Nog zijn de „donkere dagen voor Kerstmis" niet voorbij, maar ons troost: ten eerste het weten, dat, zoo wij onzen oogen slechts den kost geven, ook de winter een seizoen is, dat den natuurminnaar veel bekoorlijks biedt en ten tweede, dat van Kerstmis tot het voorjaar.... il n'y a qu'un pas. Is er aldus geredeneerd wel een reden om al te pessimistisch de wereld te bekijken? Trouwens: hoor de vinken eens: pink I pink ! pink! Ze zijn zoo rol-rond van al die beukenooten..;

Sluiten