Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beokenooten. Sprongen zij? Zij gleden, gleden als rood-rosse wezens van beuk tot beuk en glijdend reisden zij van laan tot laan..Al hun bewegingen waren een gratie, één soepelheid. Hun bewegingen waren rond en er was géén wending noch ééne zwenking, die hortend was noch harde hoekigheid vertoonde. En om hen was de zon en als zij rustig zaten, werden zij tot warm-gloeiende sculptuurtjes, die echter plots actief werden, wanneer verdachte geur of verdacht gerucht hen ried omzichtig te zijn.

De zon was overal dezen dag en streelde de dorheid der overwinterde spitse grassen, drong door tot de heimelijkheid van ruige struweelen en kronkelig struikgewas, waar zij sterren het vallen en pijlen en spiesen van teeder metaal. De zandweggetjes werden zomersch blank, de bevroren poelen fonkelden en onder den spiegel — zoowaar — was zwart gekrinkel en nerveus gewriemel van torren. Voelden zij het voorjaar komen ?

Want voorjaar was het, al lagen de koele flanken der klingen kil-besneeuwd.

Er waren liederen in den dag van vogels; aan de zoom der bosschen, waar de lichten steigerden en vurig botsen tegen den donkeren muur der massieve boomgroepeeringen, babbelden kind-blij muis-kleine meesjes en zij vertelden aan ieder die maar luisteren wilde hun fijne franke verhaaltjes vol naïeveteit. Maar winterkoningen kenden geen schuchterheid en wierpen ter zij, naar links, naar rechts de rinkelende munten van hun licht, jolijtig geluid. Raapte één wezen hun metalen vreugd? Zij vroegen er niet naar, zij gaven, gaven, gaven,

Sluiten