Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de roeken wonen, die er hun nestmandjes in ophangen.

Maar laten wij niet vergeten de hongerden, waar de Mei kan tooveren en wonderdadig het leven wekken uit al wat dood leek en dor en grimmig en knoestig.

Maar dan zijn er die andere bouwsels, die zwierende en zwaaiende molens en als ge een dag beleeft.' wanneer de groote winden waaien en de boeveboomen schuin hun kruinen en kronen buigen, zoodat de roekennesten wiegelen en dodeinen, dan draaien en wentelen overal de kruisen der molenarmen, dan is er actie en fleurige courage in deze lage landen aan de zee.

En mèt de molens bewegen de wolken en zij hollen op hun witte voeten geruischloos, maar vlug als de wind, over het glad fluweel der blauwe hemelen.

Molens en hoeven, fladderende scheepjes her en der en op de kimlijn de schilderijtjes van dorpen en gehuchten — geestige pennekrabbels, sober versierd met een terra-cotta, een grijs en een donker kleurtje — ziedaar de weinige aanduidingen van menschelijk bestaan en menschelijk bedrijf in heel den omtrek.

Voor het overige woont in deze wijdheid de rust. Voor het overige. Ik dien onmiddellijk te protesteeren tegen deze restrictie, deze slordig en oppervlakkig neergeschreven onbillijkheid: want wordt de rijke rustigheid ook maar in het minst geschonden door het blij beweeg der molens, door den donkeren ernst der hoeven, door het vertier der vlug voortscherende libellenlichte schepen of door miniatuur-dorpen met hun ranke

Sluiten