Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat is de joyeuse entree, wier bekoring nooit haar fijne, ongedeerde frischheid verliest. De periodiciteit brengt echter nooit eentonigheid mee: het lentewonder dat zich herhaalt, aldoor, aldoor, is steeds nieuw; en mede nieuw is steeds de wederkeer der vlugge vliegers, die zich minnend, strevend en strijdend uitleven onder de hooge hemels, die fluweelig zijn en rustig als de zon haar koestert, bewogen, wanneer de winden driftig de populatie der luchten: de grillig gehouwen wolken, voortjagen als witte, vluchtende beelden.

Mij ontroeren de gedragingen der vogels: zij vertegenwoordigen voor mij de lente. En vooral één woord heeft voor mij een buitengewone kracht: het woord kievit. Hij behoort tot de Hollandsche lente, zooals een ranke, met wazig groen overtogen berk, een blinkende paardenbloem, een merelslag en een tierelierend spreeuwendeuntje daartoe behooren. Het woord kievit suggereert geheel het voorjaar; een wei met pinksterbloemen, een dijk, bespikkeld met madelieven, een bloesemende vruchtboom en vooral dagen van zoele zon, doorstoven van speelsche, zoetrokige winden en overhuifd door het blanken-blauw der hemelen. En ook: het woord kievit doet denken aan diens genooten, die bij tienen, bij honderden hun zwierig en tierig leven leiden te midden van al die uitgestrektheden van land en lucht en water en deze drie samenstellende deelen van het landschap sieren met klank en kleur. Hun namen reeds wekken blijheid en hoop, die over enkele dagen zal worden verwerkelijkt. Want mogen barsche buien herkeeren, mogen in

Sluiten