Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit was de tweede dag:

Ratelende karren kerfden sporen in den boschbodem en de paardenhoeven deden de naalden en de oude blaren voorts tui ven.

En met de karren en paarden, die in den jongen, dauw-koelen ochtend verschenen, kwamen de mannen; hun handen droegen de bijlen en hun armen waren sterk.

De echo's van de slagen wekten honderd geruchten en wijl de geurige spaanders sprongen naar hier en ginds, blank, roze en geel, werden de ééns stille bosschen luid van diabolisch-druk vertier.

Krakend en kreunend storten de stammen en ploften dof op den mossigen of muilen bodem.

En d'uittocht had plaats van de eekhoorns en spechten, vinken en meezen, merels en fazanten, die vluchtten naar de uitgestrekte heiden en nergens rust konden vinden.

Toen 't avond was spanden strak de spieren van de paarden en hoog-gestapeld schokten en schommelden de karren door dé schemering.

Schrap zetten zich de dieren, als de zweepen knalden, want zij waren zoo zwaar, al die sparren en beuken, elzen en eiken, lorken en berken, olmen en dennen....

De wouden waren dood en toen de derde dag aanbrak, verscheen in de staatscourant de noodboschwet als mosterd na den maaltijd.

Sluiten