Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Teeder rondden zij af al wat ter aarde scherp was en bits-kantig en norsch-hoekig. Noklijnen werden tot breed-weeke, zachtruige boa's, ijle telefoondraden, gespannen van station tot station, zwollen tot dikker koorden, zoodat de vage notenbalklijnen elkander bijna raakten en men mocht betwijfelen, of daar nog vogels, zonder hun hoofden te stooten, op neer zouden kunnen strijken.

Zelfs de naalden van sparren en dennen verloren hun pijl-harde puntigheid.

Hoog ten top der beuken — hun takken en twijgen strekten zich als kille, kronkelende vingersnaar het voorjaar — waren drie roeken gesculpteerd: donkere beeldwording van een pessimistische philosofie.

Hun koppen raakten bijkans de hemelen en zij verteerden hun buit: een gestrikt konijn.

Een vink woelde in het oversneeuwd gebladerte en klingelde uit zijn keeltje een metalen kreet, toen hij een beukennootje vond...

De sneeuw was alom; hij drong door in fijne spleten, sloot de zwarte monding van holen en dekte de haveloosheid der poovere heiden.

De sneeuw viel in den ochtend; hij buitelde in den middag; hij zeeg neer in den avond.

De wereld werd allengs genivelleerd en nergenswas tenslotte meer ééne pointe.

Sluiten