Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vaarten, kanalen, slooten en eindelooze weiden: ge kunt dan ook minstens een half jaar lang — van September tot Maart volgens vele boeken, maar ik ontmoette hem met zelden in April, Mei en Juni — den mooien ranken vogel, die de grootte heeft van een tureluur en evenals deze bizonder fragiel gebouwd is, bier aantreffen; de emigrant is dus vrijwat huiselijker dan bijvoorbeeld de inboorling koekoek, die na een verblijf van slechts luttele maanden alhier de onrust weer in zich voelt woelen en andere oorden zoekt, gehoorzamend aan den donkeren zwerf-drang.

Ik heb mij wel eens afgevraagd: zou de weemoed, die spreekt uit het gefluit van den goudpluvier, aflicht zijn oorzaak vinden in het feit, dat hij een bewoner is van de toendra's, deze ver zich strekkende oorden van eenzaamheid en verlatenheid? Onwelluidend is de roep geenszins; integendeel: hij is gaaf, afgerond en dissoneert niet in het minst, maar toch stemt hij verdrietig; hij doet denken aan geduldig, moedig gedragen leed en door de puurheid héén treft dat zwaarmoedige, dat ook de Russische letterkunde dikwijls kenmerkt Is het niet, of allerlei trieste wederwaardigheden, de angst voor lijfs-zekerheid, de onrust wegens zich-niet-veilig-voelen duurzaam de intonatie van zijn stem heeft beïnvloed?

Hoe dit zij, een feit is het, dat de goudpluvïer een begeerenswaard jacht-object is, dat een flink prijsje opbrengt, in de poekerswinkel dikwijls de étalage-kasten vult en veel wordt geëxporteerd.

Er is ontegenzeggelijk iets wreeds in de jacht op pluvieren, die op roerige wind-dagen of wanneer het weer nevelig is soms vlak langs den grond

Sluiten