Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nog geen weck geleden was de wereld vol beloften, thans is zij vol vervullingen: het blad is uitgebroken, het hed maakt de weiden en bosschen luid, de bloesems stuiven als een zachte f06!"^ k^QS de wegen en bovenal: het hcht heeft de duisternissen verwonnen. Het streelt de perkamenten, doodsche cocons tot zwierige vlinders, het lokt de grommelende bijen uit de korven en het vlijt zich als een koesterend geluk aan de ramen en flanken der woningen. Als een wonderdoend man gaat het door den dag: het wekt het lyrisch hed der lijsters, het zegent de aarde, dat aj vruchten drage en te midden van al zijn weidsche weelde staan verklaard: dier en dina en mensch.

De momenten rijen zich tot gouden reeksen uren, het berst en bot en bruischt uit knoppen en loten; het gewekte leven strekt zijn hunkerende armen uit naar het hcht der hemelen en in uw hart zingt, als wind door sparren, GezelleV hed:

t Is lentegroen genoeg, voor honderdduizend oogen; eilaas, 'k en hebbe er ik o grondig groene zee,

maar twee: wie kander moedeloos, den dwang mij doen gedoogen van 't geen mij tegenhoudt een tocht in al dat groen te doen?

Sluiten