Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het heft zijn torens hoog,

Het staat, beschut en droog,

Een glorie voor het oog,

Omringd door sterken djjk,

Voor vreemd en vriend te prijk!...

Waar eenmaal, snel en sterk,

De meeuw ontplook haar vlerk,

Ziet men de Groote Kerk,

Met marm'ren zerk na zerk;

Van Brakél leest men daar,

Be Witte, Kortenaar!

De Beurs, des handels doel,

Pronkt met haar drnk gewoel,

Waar eens een vorschen-poel,

Haar walmen opwaarts zond,

En waar een duintop stond,

Kijkt hoog-geleerde heer

Erasmns op ons neer.

Fabrieken staan verspreid,

Een beeld der nijverheid,

"Voor zilver en voor goud,

Voor suiker en voor zont,

Voor chocolaad, tabak,

Jenever en arak.

Voor leer, voor lijm en lood,

Voor verwen, groen en rood,

Voor schoenen, zeep en glas,

Voor pleisters en voor was,

Voor touw, — en wat niet alt

Maar noeme ik nog vooral,

En met bewondring luid:

De molen voor het kruit,

Voorbij de Delftsche Poort,

Die Everden behoort.

O, Botterdam is groot!

Ook door zijn handelsvloot,

Die kostbre lading vaart

Op heel de wereldkaart.

Het is een schoon gezicht,

Als men zijne oogen richt,

Op 't kleurig vergezicht

Van havens en van Maas.

En vrooUjk klinkt geraas

Sluiten