Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Ach, liefste... zei hij gesmoord.

Zij begreep hem, o, hoe begreep zjj hem. Had zij hem niet even hartstochtelijk lief als hij haar... en kende zij niet hetzelfde brandend-smartelijk verlangen... Zjj bukte zich snel, en liet haar lippen rusten op zijn dikke blonde haar in een innigen zoen... maar toen hij zich oprichtte en de armen naar haar uitstrekte, ontweek zij hem, en ging de schreden tegemoet, die zij in de verte had hooren naderen. Ook hem schrikte het geluid der komende stappen op, en hij volgde Johanna, blijde, dat het wassende duister de ontroering van zijn heet en bleek gezicht verborg.

Door de struiken schemerde het wit van Aagje's kleedje; zij beiden begrepen, wie er kwam, voordat zij haar stem hadden gehoord.

— Maman! riep Aagje. Francjjntje heeft de Rijnwijn al gebracht. Komt u nog niet?

— We kwamen al, kind, zei Johanna, en Hero hoorde de ergernis in haar toon, die het jonge meisje misschien ontging, maar die Johanna zelf óók scheen te hebben bespeurd, want zij nam den arm van haar dochter, en begon ongedwongen te praten, en in het voorbij-gaan plukte zjj een takje groote blanke jasmijnen af, en ademde lang de zoete welriekendheid in.

De stemmen geruchtten van uit den koepel; en Johanna, ofschoon haar oproerig verdriet den stillen, schoonen avond-vrede telkens bad verstoord, voelde het gemis daarvan nu toch als een droefheid en een pijn, en haar tot vuist gebalde hand verkneep krampachtig het takje jasmijnen.

Sluiten