Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 'n Grijpende hand?! riepen Jetje en Camietje door elkaar, en Antje keek met zóo'n spanning in haar oogen naar hem, dat Cornelius die noodzakelijk nog een beetje moest laten voortduren.

— Ja, 'nhand... die ons overal volgde, en telkens 'op 't punt scheen, zwaar op ons neer te vallen. M'n oppasser boog zich op de hals van z'n -paard, hij was meer dood dan levend...

— En jg zat recht-op met 'n knik in je rug, ep trok je pistool! spotte Claude.

De blik in Antjes oogen werd dringender; zg vroeg om een bewijs van zijn moed... en Cornelius aarzelde... zou hg iets verzinnen, zou hij beweren, dat hij onversaagd het verschijnsel had onderzocht... maar neen, er waren er te veel, die hem dit verhaal al hadden hooren doen, en hem misschien dadelijk zouden te pronk stellen, en dan zou hij voor Antje zeker geen verheven figuur maken. Hij zei:

— 't Was m'n geluk, dat ik begreep, dat 't de beelden waren van 'n tooverlantaarn, waarvan ze gebruik maakten,,om degenen, die trachtten te ontsnappen, vrees aan te jagen, en zoodoende te weerhouden.

Zgn „eerlijkheid" werd beloond, door een blik van Antje, zoo vol zachte, bijna teedere waardeering, dat hij even zweeg, in gepeins verzonken O, Antje was mooi, de mooiste misschien, — maar... liever dan Jetje of Camietje was zii hem niet, en die twee, die lieve twee... vraren hem tóch niet zoo lief, als... het mooie, het lieve kind Annemarie...

Sluiten