Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Vader! riep Cornelius, ik gedoog niet, dat er op die manier wordt gesproken over haar, die ik liefheb, ü beleedigt m'n aanstaande vrouw.

— Cornelius! riep zijn moeder verschrikt. De Raad haalde de schouders op.

— En wat denk je te bereiken met die hooge woorden? Vertel me dat. Maar vertel me óók, hoe jij, 'n nakomeling uit 't geslacht van Everden, dat over geheel Nederland in aanzien staat, dat burgemeesters heeft geschonken aan den Briel, Geertruidenberg, Dordrecht en Botterdam, waarvan de onverbroken stamboom opklimt tot in de 16e eeuw, hoe jij, 'n zoon uit dat aanzienlijke geslacht, voor wie de voornaamste partijen uit den lande bereikbaar zijn, 'n huwelijk zou willen sluiten door zich te verslingeren aan...

— Vader! riep Cornelius. Ga niet voort! Bedenk, u is hier in mijn huis. Noodzaak me met, u mijn drempel te verbieden!

— Cornelius ... smeekte de moeder in doodsangst, en greep de beide handen van haar zoon. Bedwing je, bedwing je, om mijnentwil. Lieve lieve jongen, we komen toch met je praten om bestwil, begrijp dat, begrijp dat toch!

— Laat Vader dan niet zóó over haar spreken, zei Cornelius, nog snel ademhalend, met afgebroken stem, — zoo smalend, zoo verachtend, dat verdient zjj niet, en ik duld 't niet. Zij is zoo rein als uw eigen dochter is, als Aagje.

— Laat Aagje er buiten, zei de Raad met scherpe stem, noem haar naam niet in verband met... die andere, noem haar naam niet in

Sluiten