Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met een spijker de hoekjes van de trap-treden moesten worden uitgekrabd, en met een tandenborstel de capitonneering van de stoelen uitgeveegd, en dat voor elk droppeltje wyn, dat hij op 't tafellaken morste, een heel zoutvat werd verspild, en als hjj van de jacht kwam met zjjn modderlaarzen, dat dan een meid achter hem liep met een dweil, om eiken voetstap, dien hy zette op het marmer van de gang „cito, cito, op te dweilen..."

Nu, dat was alles niets, en Jetje kon dit heel goed verdragen. Maar hoe langer zy op Aechtenskerke vertoefde, hoe meer ernst er langzamerhand kwam in Cornelius' gesprek. Hij vertelde haar allengs alles wat hem de ziel vervulde, in een voortdurende behoefte om zyn vertrouwen aan iemand te geven, die hy volkomen vertrouwen kon, wat hem in de laatste jaren immers nooit gebeurde, daar hy zich van allen had vervreemd, en hem van al zyn vroegere intieme vrienden slechts diegenen waren overgebleven, die van hem profiteeren konden.

— Wil je wel gelooven, Jetje, zei hy, dat ik er me soms stom over verbazen kan, hoe ik toch zoo'n slechte naam heb gekregen? Ik sta in Rotterdam bekend als Schout Bont z'n hond, en waarom? Nou ja, 't is waar, ik heb 'n vlot leventje geleid, maar, goeie hemel, wie van m'n vrienden heeft dat niet gedaan ? Als ik 's 'n boekje open deed van al degenen, die me nu niet meer „kennen", dan zou je eens wat hooren!

— Dat geloof ik wel; maar de laster heeft

Sluiten