Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van die wet en beweert dat de Overheid met deze hypocriete wet nu meent er van af te zijn, maar daarna komt hij ons vertellen van een zedenpolitie, orgaan dierzelfde Overheid, die met ongekenden ijver, met groote zorg en eindeloos geduld de meisjes en kinderen van het volk tracht te beschermen tegen de prostistutie. Zulk een houding zou toch wel zeer moeilijk denkbaar zijn in den tijd toen de politie gedwongen was als „frère et compagnon" met den bordeelhouder om te gaan, de bordeelen te controleeren, toen krachtens het toenmalige art. 452 W. v. Sr. (het artikel van Mr. van Houten), de bordeelhouder ieder oogenblik met de nieuw aangekomen vrouwen op het bureau van politie moest komen om haar mede te deelen wat de aard van zijn erkend bedrijf was en haar te vragen of zij bereid was in zijn dienst te komen, wat dan steeds bevestigend werd beantwoord. Daarbij kwamen wel eens zonderlinge vergissingen voor, zooals in Amsterdam, toen in 1Y2 jaar tijds, n.1. van 1899—1901, niet minder dan 76 minderjarige Fransche meisjes, waaronder van 17 jaar, op valsche papieren de politie passeerden, die haar allen voor 23 lieten doorgaan (toen nog de meerderjarigheidsgrens). Neen in dien gemoedelijken aartsvaderlijken tijd toen deze meisjeshandel onder de oogen der politie plaats vond, zou voor een persoon en een methode als van den heer Voskuil zeker geen plaats zijn geweest. En is hij de eenige? Handelt de kinder- en zedenpolitie in Amsterdam, in den Haag anders. In Utrecht hebben wij geen speciale kinderpolitie, maar wij hebben evenals elders een voortreffelijke politieassistente, en welk een samenwerking tusschen haar, de ambtenaresse van de Kinderwetten en de secretaresse van den Voogdijraad tevens secretaresse van de Afd. Utrecht van de Ned. Ver. tot bestrijding der geslachtsziekten, met de Directrice van het Doorgangshuis, met de Directiën van de Heldringgestichten te Zetten en de R.-C. gestichten in Velp, den Haag, Maastricht, Almelo, enz. Heeft de wet van 1911 niets goeds uitgewerkt, heeft de veranderde houding van de Overheid, gevolg van de veranderde houding van den wetgever geen verandering gebracht? Er is niemand die de toestanden van nabij kent en die de vroegere toestanden goed gekend heeft die het kan volhouden. De heer Brusse bemerkt het niet, maar hij doet beter, hij deelt het ons mede in warme bewoordingen, hij leeft er in mede, maakt er propaganda voor. Wij vergeven hem zijn inconsequentie, beminnen hem er om en vergeten zijn societeitspraatjes en café-chantant-grapjes.

Sluiten