Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kunst is, wetenschappelijk te kennen Dit wetenschappelijk kennen der kunst is Aesthetica, en Hegels Aesthetica geeft aan de kunst den lageren rang ten opzichte van het zuivere denken, in dezen zin, dat zij iets voorbijgaands is. Hegels Aesthetica is, zooals Croce terecht opmerkt2), een grafrede: zij laat de successieve vormen der kunst de revue passeeren, toont daaraan de voortschrijdende stadiën harer tering aan en legt ze dan alle in het graf, waarop de philosophie het grafschrift schrijft.

Ook bij Bolland vinden wij de opvatting dezer vergankelijkheid uitgedrukt. Bij hem komt het historische karakter en de onontwikkeldheid der aesthetische geestelijkheid tot uiting in het beeld der kinderlijkheid en onnoozelheid. „Alle aesthetische geestelijkheid, alle kunstzin op zichzelven en zonder meer, is hoogere kinderlijkheid : tot het eigenlijke of „klassiek" hoogere komt de geest eerst in den godsdienst." „De kunstzin zoekt het ware nog niet als het ware : hij zoekt het als het ware dus ook niet, maar blijft in de onnoozelheid." „De kunst op zichzelve is de ware kunst nog niet, en de ware kunst, het kunstvorderende en medebrengende ware, is de redelijke geestelijkheid, die aan aesthetische en stichtelijke geestelijkheid in het woord van zuivere rede tot zichzelve komt" 3). Hier wordt wel uitgedrukt, dat het logische denken zonder de kunst niet optreden kan, m. a. w. dat de zuivere rede groeit op den bodem der aesthetische geestelijkheid, doch de kunst als voorbijgaande phase van kinderlijkheid, die men niet meer als zelfstandige bestaansvorm moet terugwenschen, is daarmee eveneens tot het verleden gebracht.

Men zou tegen deze interpretatie kunnen aanvoeren, dat Hegel in de boven aangehaalde citaten „dialectisch" den overgang heeft willen aantoonen van kunstbewust-

1) W. W. 102, 1, 15-16.

2) Aesthetik als Wissenschaft des Ausdrucks und allgemeine Linguistik. Leipzig 1005. S. 293.

3) Zuivere Rede2, blz. 684, 685, 686.

Sluiten