Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorstelling duidelijk (gesetzt). In de aanschouwing treedt de objectiviteit (Gegenstandlichkeit) van den inhoud op den voorgrond; eerst wanneer ik de reflexie vorm, dat ik het ben, die de aanschouwing heb, eerst dan betreed ik het gebied der voorstelling" x).

Het doel der aanschouwing is derhalve tegelijk met het practische belang der opmerkzaamheid, het scheiden van object en subject. Dit tracht zij te bereiken door de gevoelens in ruimte en tijd naar „buiten" te werpen, waardoor het bewustzijn moet ontstaan, dat zij werkelijk objectief aanwezig zijn, buiten het subject Dit ordenen in het naast en na elkaar zijn der gevoelens is dus een oeconomische daad van het denken met het doel, dat er later door deze hulpmiddelen (ruimte en tijd) het besef komt, dat de vrije intelligentie (het werkelijke kennen) het denken als het zijn begrijpt en zich niet meer ophoudt met ruimte en tijd: „De eenheid van het subjectieve en objectieve, die in het voorstellen nog iets subjectiefs is, verkrijgt in het denken den vorm van een zoowel objectieve als subjectieve eenheid, daar dit denken zichzelf als de „natuur der zaak" weet" 2).

De werkzaamheid der aanschouwing is derhalve een oeconomische, practische werkzaamheid, terwijl de vrije intelligentie de dialectiek is der abstracties, gevormd door de aanschouwing 3).

1) Ene. § 449 Zus.

2) Ene. § 465 Zus.

3) In mijn vorig artikel heb ik trachten aan te toonen, dat Hegels „natuur" begrepen moet worden als de functie van den practische'n geest en wel van het oeconomische denken. Dit wordt in verband met het bovenstaande bevestigd door dezen zin van Hegel: „De Idee, die voor zich is, volgens deze hare eenheid met zichzelve genomen, is zij aanschouwing, en de aanschouwende Idee natuur". (Ene. § 244). En Bolland interpreteert hem aldus: „De Idee, die 'voor' zichzelve is en zoo zichzelve voor zich heeft, blijkt in alle voorstelling of verbeelding een 'Fürsich sein' als «Vorsich sein' dat is idee van aanschouwing, waarin zich van het aanschouwende het aanschouwde niet laat afscheiden..., deaansctouwendeideeisvan nature idee der natuur, en het is natuur, die aanschouwt, zoowel als natuur (die) aanschouwd wordt (?). (Z. R2. blz. 276—7).

Sluiten