Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hier de beteekenis van nog niet in overeenstemming zijn van het begrip des geestes met de realiteit. De geest „schijnt nog in zichzelf", is nog niet tot volle bewustzijn van zichzelf gekomen, heeft nog niet zijn eigen wezen leeren kennen als de vrijheid. De verschillende trappen dezer werkzaamheid, waarop de eindige geest als „schijn" blijft en welke hij te doorloopen heeft, zijn de trappen zijner bevrijding: als subjectieve geest vindt hij een wereld als een vooropgestelde wereld, als objectieve geest brengt hij een wereld voort en als absolute geest bevrijdt hij zich hiervan. De absolute bevrijding is die, waarbij dit vinden en dit voortbrengen zijn samengevallen voor den geest, d.w.z. dat de geest thans weet, dat het „gegevene" door hemzelf is voortgebracht1).

Wat kan de zin zijn dezer gedachte ?

Daar ten slotte voor Hegel de hoogste vorm van den absoluten geest de philosophie is, die bereikt wordt na de kunst en de religie, is deze absolute geest de theoretische geest, die volgt op den practischen (objectieven) geest. Er heeft dus overgang plaats van practijk tot theorie en er is geen overgang tot een derden vorm des geestes, die de samenvatting is van de theoretische (subjectieve) intelligentie en den practischen (objectieven) wil. Daar de kunst (= aesthetische geestelijkheid) een theoretische vorm is des geestes en elke godsdienst theoretische kennis is (idealen, mythologie, dogmatiek, leer der openbaring en der transsubstantiatie), terwijl verder in laatste instantie de philosophie komt als leer der waarheid, zoo bevinden wij ons op het theoretische gebied ; een gebied, dat de synthese is van theoretischen en den practischen geest, de concrete geest zelf, zooals hij steeds en overal werkzaam is. Deze geest in zijn totaliteit heeft het theoretische denken als een deel, en dit deel is door Hegel tot het absolute geheel verheven. Philosophie is en blijft theorie, hetzij als Aesthetica of philosophie der kunst, hetzij als Logica of philosophie van het zui-

1) Vgl. Ene. § 386.

Sluiten