Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat Hegel hier beschrijft, is de ideëele eeuwige geschiedenis van het absolute en de overgang van practisch leven tot theoretische speculatie, kan daarom geen overgang zijn tot den absoluten geest, omdat deze dat theoretische als „deel" in zich bevat. De geest kan derhalve geen absolute bevrediging vinden in het theoretische deel, evenmin als een overgang van theorie tot practijk algeheele bevrediging verschaft. De philosoof en de kunstenaar, die hunne theoretische kennis niet kunnen mededeelen met practische middelen, zullen zich onbevredigd gevoelen.

Evenzoo tracht een practicus zich te ontdoen van de onbevredigde sleur om te komen tot nieuwe, frissche gedachten, tot philosophie, enz. In werkelijkheid is de menscheüjke samenleving „niet van God verlaten", doch deze „goddelijke Idee zooals zij op aarde is", wordt door Hegel beschouwd als een onvrije toestand, als een tegenstrijdigheid, die zich dialectisch heeft op te lossen tot de goddelijke Idee, zooals zij in den hemel is: tot de beschouwing van het gedachtenrijk van God, „zooals deze is in zijn eeuwig wezen voor de schepping der wereld en den eindigen mensen", het weten van den absoluten geest 1). De verheffing tot deze mystieke sfeer kan alleen in de wijsbegeerte tot stand komen, vandaar dat de schoonheidszin de zin is voor het hoogere „op de wijze der onontwikkeldheid," om een uitdrukking van Bolland te bezigen.

Gaan we nu over tot Bolllands gedachtengang. Den dialectischen_ overgang tracht Bolland te geven door uit te gaan van het practische, nuttige; door van de nuttige bevrediging te komen tot het streven, dat daarbovenuit gaat, een onnadenkend en gevoelvol trachten naar het niet rechtstreeks „bruikbare" natuurlijke zijn,' naar het nuttelooze nuttige, naar datgene, wat aan zijn doel kan beantwoorden, zonder dat het een zeggelijk of althans toonbaar doel heeft. „In zooverre de mensch op bevrediging uit is", aldus Bolland, „door iets, (?)

1) Ene § 552. W.W. 3*. 33.

Sluiten