Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of met een Stedenmaagd anders bewezen dan de behoefte van den mensch om onzienlijke eenheid en idealiteit te objectiveeren ? En wanneer U begrijpt, dat juist wij misschien in ons dóórdenken over de menschelijke behoefte aan objectivatie een symbool wel kunnen ontberen, dan zult U toch niet miskennen dat de groote menigte, die niet nu nog voorloopig maar altijd zal blijven loopen en draven naar plaatsen, waar wat te begapen en te bekijken valt, dat eigenlijk niet kan. In ons is een natuurlijke neiging om realiteit aan de idee en aan de verscheidenheid van ons volksbestaan, die ook eenheid is, aan onze veeleenigheid in het eenheidspunt, aan het centrale punt, om zoo te zeggen, gestalte te geven. Zietdaar de idee van de soevereiniteit, zooals vroegere tijden die hebben gedroomd, maar zelden helder tot bewustzijn hebben laten komen en die wij hier nu hebben te denken met de bijgedachte, dat daar als aan een beeld al wat onderons machtig is en gezag heeft en goed is, — kortom het Réchte in gedacht wórdt" x). „De Soeverein staat daar niet als persoon, maar als belichaming en vertegenwoordiger of symbool en zinnebeeld van de schoone en goddelijke Idee" 2).

Zoo zien wij dan het dialectische verband, waarmee Bolland de schoonheidsleer wil ingaan. Deze dialectische overgang is, zooals reeds gezegd is een komen op de algemeene voorstellingen, die Hegel met zooveel ijver heeft vervolgd en gekritiseerd, voorstellingen, symbolen, die het volk noodig heeft en niet missen kan en die dus niet het product zijn van zijn aesthetischen geest. Wanneer men „ontroerd" voor den Vorst staat, dan is dit niet natüürlijke geestelijkheid, maar een zich behagelijk gevoelen bij de gedachte aan de Staatseenheid, waarin men leeft, een bevrediging, ontstaan door een moreel besef van orde en regelmaat. Wanneer dan verder deze bewogen ziel zich uitdrukt op de een of andere wijze, in een muziekstuk of in een gedicht, dan heeft men kunst en zelfs een

1) Ibid. blz. 593.

2) Ibid. blz. 604.

Sluiten