Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontstemming; de enorme groei der bureaucratie van den ambtenarenstand vond toen bfi, de Romeinen evenmin onvermengde waardeering als ten onzent.

Mocht gij meenen dat journalistieke flair Dr. Leopold verleidt tot pikante, maar onbetrouwbare vermelding, een blik in de werken van vooraanstaande classici overtuigt u van de sterke analogie tusschen heden en verleden. Theodoor Mommsen ziet in Rome, vooral in den eersten Keizertijd, een finantiëel Babel, door eene oligarchie van kapitalisten geregeerd. Eduard Meijer, de groote kenner der oudheid, heeft de kapitalistische sfeer, waarin oudGriekenland en oud-Rome zich ontwikkelden, scherper geteekend dan iemand anders en volgens hem kunnen wij ons de antieke verhoudingen „niet modern genoeg" voorstellen. In zijn zucht om de analogieën tusschen onze periode en de oudheid sterk sprekend te doen zün, moge hij hebben overdreven bfi zijn • voorstelling van het antieke tfidperk als een kapitalistische periode „fin de siècle", en met name de veel gecritiseerde gelijkstelling van het „ergasterion" en zijn werkers met onze fabriek en fabrieksarbeiders moge niet zijn te aanvaarden — vast staat, dat groote periodes der antieke geschiedenis een sterk „kapitalistisch" karakter dragen. Wie hieraan mocht twijfelen, bestudeere de meesterlijke verhandeling Agrargeschichte (AUertum), waarmee Max Weber de literatuur verrijkte.*)

Van nieuwe dingen wordt verwonderd rondverhaald, maar het is schier alles aireede geweest; het verliest zich al te gader in den nacht der eeuwen.

De winzucht en het stoffelijk genotsbegeer verontrusten u en gij acht ze typeerend voor onze eeuw, maar in de oudheid bereikten zfi eene niet minder angstwekkende hoogte. Daar brengt een Amos zijn hart aangrijpend wee uit over de gerusten te Sion en Samaria, die in dartele overdaad hunne ziele schaden. Daar toornt een Jesaja tegen de pracht en hoovaardij door de vrouwen bedreven; daar beschuldigt een Jacobus de rijken, die hun rijkdom misbruiken tot wellust.

Bij de ongewijde schrijvers gelijke toon. Geen gymnasiast, die niet weet van V e r g i 1 i u s' vloek over den auri sacra fames, den afschuwelijken gouddorst. Horatius klaagt, als kende hij de moderne O.W.ers: „O, burgers, vóór alles moet men tegenwoordig zorgen geld te hebben! Deugd en gerechtigheid komen eerst na het geld." Juvenalis zingt: „Geen ondeugd van den menschelijken geest heeft meer giftbekers gemengd en vaker het zwaard gebruikt, dan de vervloekte zucht naar onbeperkt bezit. Want wie rijk wil worden, wil het spoedig worden! Maar welken eerbied voor de wet, welke vrees of schaamte kent de vooruitstormende gewinzoeker."

Sluiten