Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welvaart in den wezenlijken zin des woords te bevorderen, moet den indruk ontvangen/ dat er in de tegenwoordige economische ontwikkeling eene bedreiging is van het menschelüke in den mensch."

Daar is de fijnere rationaliseering van ons gansche economische leven, die alles nauwkeurig afbakenend, aan het gevoelselement, oök in de arbeidsverhouding te weinig plaats gunt. Geenszins zün wij blind voor de gevaren, welke de vroegere patriarchale toestand voor de vastheid der positie van den arbeider opleverde. Aan de willekeur van den meester was hü overgeleverd en hard onrecht werd menigmaal tegen hem bedreven. Nu is de rechtszekerheid vermeerderd — maar ach, voor onderscheidenen is het levensgeluk niet verhoogd, voor fünvoelenden vooral niet. In den h artelij ken handdruk, den troost in droeve, den gelukwensch in blijde dagen, de belangstelling in zijn levenslot, het saam-arbeiden en saam-leven lag eene versterkende, vertroostende gedachte, waarvan de poëzie al te zeer is gebannen.

Daar zijn meer factoren, — onder die alle is echter de belangrijkste deze: heillooze leeringen vergiftigden en vergiftigen de ziel.

Onder den invloed van de materialistische klassenstrijdleer is geboren een eeredienst van de gespierde vuist, een verheerlijking" van den handenarbeider, die de maatschappelijke verhoudingen doorkankert. De arbeidersklasse werd verheven als de schepper van allen rijkom, als de rechthebbende op alle macht, als de bron van alle welvaart.- Krijgt zulk een leer vat op de schare, wordt zij door dien grootheidswaan aangetast, dan wordt de arbeidsvreugde, het waarachtig levensgeluk hopeloos verstoord. Het klassenstrijddogma prediken en de arbeidsvreugde versterken — het sluit elkaar ten eenenmale uit.

Het is geen toevallig saamgaan van atheïsme en arbeidsvervloeking, dat w§ in het bange boek van Adolf Levenstein, Die Arbeiterfrage, aantreffen. In de antwoorden, die inkomen van mijnwerkers, textielarbeiders, metaalbewerkers, van al die arbeidersgezellen, welke allen lust in den arbeid zeggen te hebben verloren, wordt ook bescheidt gegeven op de vraag: Gelooft gü aan den lieven God ? En dan schrikt gü van de brute openhartigheid, waarmee elk geloof aan God en Zijn Woord wordt geloochend. Als blasphemieën grijnzen u de plompe bescheiden aan. Zou geen verband bestaan tusschen de vervloeking van den arbeid en het Verzaken van het geloof in Hem, die getuigen mocht: „Mijn Vader werkt tot nu toe êtt ik werk ook".

Een oordeel zal gaan over degenen, die de religie misbruiken om met een beroep op haar rechtvaardige eischen af te weren of tot schuldige onderworpenheid te manen niettemin schuilt in haar

Sluiten