Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ieder land vertoont hier een eigen ontwikkelingsgang, die in het standaardwerk van de Verein für Sozialpolitik zijn teekening vond. *)

Van den loop der dingen ten onzent geeft het boek van Theodardus Emonds, Gemeentebedrijven en concessies in Nederlani (Leiden, z. j.), eene uitvoerige, betrouwbare schets. De strijd, die in de negentiger jaren der vorige eeuw tegen de concessies in de hoofdstad van ons land gevoerd werd, is wel de belangrijkste en beslissende periode in de historie van het gemeentebedrijf in Nederland.

Mannen van zeer verschillende beginselen hebben dien strijd tegen do concessies gestreden. Doelend op het optreden van Mr. Treub aJs wethouder van Amsterdam, schrijft de heer Sim ons in zijn opstel De coöperatieve gemeente Amsterdam*): „De man die in Amsterdam den concessie-knoop heeft doorgehakt, was allereerst echt Nederlandsch in zijn beginselruiterij, in het in hem overheerschen van tot dogmatisme verloopende verstandelijkheid, in stee van warmbloedig enthousiasme. Zoo is het gekomen, dat in stee van een proefneming in nieuw gemeenschapshandelen, die men zocht te doen slagen door enthousiasme, het in eigen beheer nemen in Amsterdam gebeurd is als een toepassing van leerstellingen, en die toepassing niet eenmaal door den man die er in geloofde maar als een lastige erfenis van benauwde droomdagen, toen meerderheid in weten en willen zich had doen gelden als onweerstaanbare drijfkracht".

De opmerking is onjuist. Van „beginselruiterij" was hier minder dan op eenig ander gebied sprake en terecht merkte de sociaal-democraat Tak in D e Kroniek van 18 Juni 1899 op: ,.De actie stelde geen dogma tegenover 't concessiestelsel, er was niets leerstelligs in. Zij toonde eenvoudig de reëele nadeelen van de concessies aan en vond er werkelijk stOf genoeg in. De eigen kwaliteiten van de concessies hebben deze doen vallen."

Het verlangen om bij monopolistische bedrijven de burgerij te beschermen tegen schade en willekeur — dat was het leidend motief, hetwelk met warmte voor eigen beheer deed partij kiezen.

Een tweede motief voor de uitzetting van het overheidsbedrijf is het streven naar fiscale monopolie». Hier legt de Staat beslag op de ondernemingen, teneinde voor de schatkist baten te verwerven. Zeker, ook uit de tevoren besproken gemeentebedrijven kan de gemeentelijke fiscus profijt trekken, maar die winstbegeerte vormt toch niet de overheerschende drijfveer tot naasting.

Nieuw ia de samenhang tusschen monopolie en fiscale overwegingen niet. Het was in vroeger eeuwen een geliefkoosd middel van die regeeringen om zich inkomsten te verschaffen door het scheppen van monopolies.

*) Zie de onder leiding van* Dr. Fuchs «aarqgestelde 128—130e Band van de Vtrein, für Sotialpolitik; de 132e Band bevat de belangrijke beraadslagingen. Een Jhandig overzicht van dit rijke werk geefit Otto Moet in zijn artikel

Gemeindebetriebe, Biicher, Meinungen, Entwieklungen in SchmoJlers Jahrbuch, 41é jaargang, 1917, blz. 957 en vlgg. Voor breeder literatuuropgave ds te vergelijken m ij n Sociale Gemeentepolitiek, Utrecht, 1912, blz. 8 en vlgg. ") lm De Gids, 1899, 2e deel, IWz. 421 en vlgg.

Sluiten