Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet als bedrijven plegen te worden aangemerkt; en dat bij die takken van dienst, die als bedrijf beschouwd worden, het oefenen van overheidsgezag op den achtergrond treedt of afwezig is.

Een scherpe scheiding is er niet, en behoeft er ook niet te zijn, zoolang dit niet noodig is voor het toepassen van eenig wettelijk voorschrift. In hoever voorschriften van politiek beleid, in algemoenen zin. voor bedrijven te geven, voor een bepaalden tak van staatsdienst gelding hebben, is voor ieder geval te beslissen.

Te minder bezwaar levert het ontbreken van een scherpe grens tusschen openbaar bedrijf en andere takken van openbaren dienst, omdat in het algemeen voor beide dezelfde regelen van beleid moeten gelden. Het beheer van het openbaar bedrijf staat nader aan het beheer van andere openbare diensten dan aan het vrije bedrijf. Hoezeer dezelfde onderneming zoowel door particulieren als door een openbaar lichaam moge kunnen worden geëxploiteerd, — wanneer eenmaal de staat of gemeente haar ter hand neemt is zij tak van staatsdienst, van gemeentedienst.

Dat moet op den voorgrond worden gesteld, omdat daarmede het karakter van het openbaar bedrijf bepaald is. Dat karakter zoeke men niet in het ontbreken van concurreerende ondernemingen, immers dat is ook het geval wanneer een particulier bedrijf een monopolie, natuurlijk of kunstmatig, bezit, en er zijn openbare bedrijven, die concurreerende particuliere bedrijven naast zich hebben. Men zoeke het karakter van het openbaar bedrijf ook niet in de concentratie die het kan medebrengen; er bestaan kleine gemeentelijke bedrijven, en in tal van takken van bedrijf is sterke, concentratie bij particuliere ondernemingen te aanschouwen. Het onderscheidende kenmerk van het openbaar bedrijf tegenover het vrije bedrijf is, dat het is overheidsbedrijf.

Daaruit volgt onmiddellijk dat het bedrijf zóó moet worden gevoerd als overeenkomt met aard en roeping der Overheid.

De particulier, die aan het bedrijfsleven deelneemt, beoogt daardoor levensonderhoud te vinden, zoo mogelijk ook iets daarboven om meerder welstand te genieten, om kapitaal te verzamelen. Het is zeker waar, dat ook in onze huidige maatschappij nog in menig bedrijf de werker zich bewust kan zijn en moet zijn van de beteekenis van zijn arbeid voor de gemeenschap, en uit dat bewustzijn arbeidsvreugde kan putten, en daarin een hooger belooning kan vinden dan in de geldelijke opbrengst van zijn arbeid. Dat geldt niet alleen voor arbeid in dienst van kerk of staat of wetenschap. Terecht is er aan producenten van en handelaars in levensmiddelen in deze dagen een grief van gemaakt, dat zij te veel de sociale roeping die hun beroep meebracht hebben verzaakt, te veel hun levenstaak hebben gecommercialiseerd, te weinig hebben bedacht, dat in tijden van nood levensmiddelen in de eerste plaats voor gebruik en niet voor koophandel bestemd zijn. Intusschen, hoezeer op dezen ethischen factor in het beroepsleven ook moge worden aangedrongen, het kan niet worden ontkend, dat de particulier in het bedrijf arbeidt met het oog op de belooning voor zijn arbeid, met het oog op levensonderhoud. Arbeid die

Sluiten