Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ambtenaarsleven. Ze gaan op in orde en regelmaat, maar lucht, licht en beweging kennen ze niet en die juist heeft het bedrijfswezen noodig. De ambtenaren willen wel goed, maar het geheele karakter van den overheidsdienst brengt iets zielloos in hun doen en laten, dat ook het bedrijfsleven zal drukken, als het daar zijn intrede doet. Zeker men zoekt daarom naar nieuwe vormen voor het nietvrije bedrijf, maar.... vindt ze niet. Een staatscommissie zal hier ook niet helpen! Ten slotte beantwoordt Spr. de eerste vraag van den heer De Vries met verwijzing naar zijn referaat, nog eens uiteenzettende, dat de overheid de vrije maatschappelijke sfeer niet mag verdringen, maar slechts gebreken mag wegnemen. Een preciese grens is niet aan te geven. Spr. zou wellicht zoo ver willen gaan, ook het mijnbedrijf te socialiseeren. Is wijders het economische leven sterk ingezonken, dan moet de overheid wellicht zeer veel ter hand nemen, maar regel moet blijven, dat het particuliere bedrijf zijn vrijheid behoudt. Basis en uitgangspunt blijft het particuliere bedrijf, dat door energie en krachtsontplooiing een grootscher macht in het leven is geworden, welker werk niet door het overheidsgezag mag worden vernietigd.

Mr. Rutgers, hierna het woord verkrijgende, wijst er op, dat de sociale gedachte, die in het overheidsbedrijf belichaamd wordt, deze is, dat hij, die er in arbeidt, een sociale, een publieke functie vervult, zich stelt in dienst der gemeenschap, voor welke de overheid optreedt, die niet op winstbejag uit is. Regeling der arbeidsvoorwaarden in het overheidsbedrijf is zaak en taak van de overheid: in dit opzicht is er verschil tusschen het overheidsbedrijf en het vrije bedrijf. Om de publieke functie, die het overheidsbedrijf vervuld, kan er geen sprake zijn van ondernemerswinst. Spr. wijst er verder op, dat de prijsvaststelling in overheidsbedrijven niet naar den marktprijs kan geschieden als zulk een bedrijf monopolistisch is, daar er dan geen marktprijs is, maar dat het vanwege de concurrentie wel naar den marktprijs moet geschieden als het bedrijf niet monopolistisch is. In zake de vraag naar algemeene „socialisatie" merkt Spr. voorts op, dat men zich voor gemeenplaatsen moet hoeden en in elk geval afzonderlijk moet uitmaken, of een overheidsbedrijf gewenscht, resp. noodig is. Men late zich niet onder de suggestie van schoonklinkende leuzen brengen, evenmin als onder contraire suggestie. Dat standpunt nam ook zijn coreferent in, die voor sommige bedrijven inderdaad op practische gronden voor het overheidsbedrijf zich uitsprak. Eindelijk vestigt Spr. er nog de aandacht op, dat staking in particulieren dienst vergrijp aan de menschheid kan zijn (mijnwezen, brood- en melkvoorziening enz.) maar geen schending van ambtsplicht is, die het in overheidsdienst wel is. En ten slotte spreekt Mr. R. nog als zijn opvatting uit, dat hij zeker is, dat in het overheidsbedrijf de verspilling van productieve kracht kan worden gekeerd.

Het debat hiermede geëindigd zijnde, brengt de Voorzitter onder warm applaus van de vergadering dank aan Prof. Diepenhorst voor diens belangrijk en vaak geestig betoog, wijl er later op het Congres geen gelegenheid meer zijn zal, dezen referent te bedanken, daar hij zelf den voorzittersstoel verder zal bekleeden!

Sluiten