Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook den handeldrijvenden middenstand dragen velen geen goed hart toe. Zij achten hem grootendeels overbodig en daarom parasitair. Als ideaal stellen zij dan, dat de goederen rechtstreeks door de producenten (landbouwers en fabrikanten) geleverd worden aan de consumenten of dat althans door coöperatie — hetzij der producenten, hetzij der consumenten — de tusschenhandel wordt uitgeschakeld. In verband met het parasitair karakter, dat men aan den handeldrijvenden middenstand of ten minste aan een groot deel daarvan toeschrijft, meent men dat in de prijzen, welke doorgaans de consumenten betalen moeten, een deel begrepen is, dat de winst vormt van den handelaar en den winkelier, en dat geheel onevenredig is aan de beteekenis, welke deze personen in het productieproces innemen.

Op het standpunt dergenen, die zoo over den middenstand oordeelen, zou het allerminst te betreuren zijn, dat hij langzamerhand van het tooneel verdween en door groot-kapitaal, coöperatie en zelfs door Staat en Gemeente vervangen werd.

Toch ziet men in de practijk, dat zoowel de industriëele als de handeldrijvende middenstand nog geen neiging toont zich finaal in andere groepen op te lossen. Het leven is niet altijd even logisch als sommige geleerden. En dat komt, omdat die geleerden in hun logica wel eens feiten over het hoofd zien, welke de juistheid hunner praemissen aantasten. Ook zijn zij soms al te licht geneigd om een verschijnsel, dat zich in een bepaalden tak van handel of industrie voordoet, te generalisèeren. Zoo zag men twintig jaar geleden de kleine schoen-industrie in de Langstraat langzaam en zeker verdwijnen en plaats maken voor het grootbedrijf. Doch in de laatste jaren heeft men weer een herleving dier kleine industrie kunnen waarnemen.

De verklaring van de taaiheid van het klein-bedrijf en den kleinhandel, bij onmiskenbare nadeelen die er aan verbonden zijn, zit in een klein voordeel, dat het in elk geval op het grootbedrijf voor heeft. En dat is het element van het persoonlijk belang en de persoonlijke toewijding van den eigenaar, die zelf altijd bij zijn zaken is, ze dag aan dag behartigt en zorgt dat er zoo weinig mogelijk tusschen kade en schip verdwijut. In de groote bedrijven en warenhuizen, die meestal met aandeelenkapitaal worden gedreven door directeuren, welke, ook al zijn ze persoonlijk bij den bloei geïnteresseerd, toch altijd min of meer de positie van ambtenaren innemen, wordt doorgaans het bovenvermelde voordeel gemist en althans niet in gelijke mate aangetroffen. Het is in verband hiermede nog zoo zeker niet, dat het grootbedrijf goedkooper weet te „distribueeren" dan het kleinbedrijf. En daarop komt het toch aan.

Daar komt dan bij voor den handeldrijvenden middenstand de niet weg te cijferen beteekenis van het zelf aanprijzen der goederen, het zich richten naar den smaak van het publiek, het acht geven op gerechtvaardigde en zelfs minder gerechtvaardigde klachten. De bediening in een warenhuis is nu eenmaal anders dan in een winkel of magazijn van meer bescheiden omvang. De smaak van het publiek is een zaak, waarmede de winkelier

Sluiten