Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kwalijk te overschatten inspanning bet doodend individualisme bestreden, hun standgenooten tot organisatie opriepen en ten slotte slaagden.

En zoo staan we voor het feit, dat thans een groot deel van den middenstand tot organisatie is overgegaan, dat de opvattingen omtrent eonénrrentie zijn gewijzigd, dat een gevoel van saamhoorigheid het vroegere individualisme verdrongen heeft, dat het gezichtsveld is verbreed en men hu niet langer schroomt middelen aan te wenden, die den rechtgeaarden middenstander van twintig jaren geleden den Schrik op het lijf zouden hebben gejaagd.

Niet langer staat de eenling eenzaam op zijn post, maar in vereenigingen en bonden georganiseerd, hebben de middenstanders hun eigen gebreken en tekortkomingen onder het oog gezien, op contröle en keuring hunner waren aangedrongen, oneerlijke concurrentie bestreden, hun positie tegenover de consumenten steviger gemaakt, financiëele instellingen gesticht, cursussen en scholen opgericht, coöperaties in het leven geroepen, collectieve contracten afgesloten, tentoonstellingen geopend, kortom, er is een levenwekkende actie opgekomen.. En na aldus zieh te hebben geredresseerd, komt de middenstand ook tot de Overheid met de vraag, of zij bij de oplossing van enkele kwestie», waarbij het particulier initiatief te kort achiet, de behulpzame hand wil bieden.

Bestaat er aanleiding voor de Overheid om zich het lot van den middenstand aan te trekken?

Wie denkt bij deze vraag niet onwillekeurig aan de woorden, die Dr. A. Kttypéf als Minister van Binnéhlandsche Zaken bij de opening van het eerste Nationale Congres voor den Handeldrijvenden Middenstand in 1903, gesproken heeft? „Metterdaad", zoo zeide hij, „is de Begeering ten volle bereid om op die punten hulp te verleenen ten aanzien waarvan wettelijke regeling noodig is, en zij is overtuigd, dat de Staten-Generaal gaarne bereid zullen zijn haar daarbij te steunen. Maar de middenstand wake er voor, uitsluitend op de Begeering te steunen. De middenstand leere op eigen woord en eigen kracht vertrouwen; hij toone geloof in eigen toekomst, maar boven dit alles verwachte hij Gods zegen".

Dit woord heeft de middenstand ter harte genomen. Hij staat daar niet langer, innerlijk verdeeld en van onderling wantrouwen vervuld, als een zwakke, uitstervende klasse, maar veeleer als een stand, die in het economisch leven een belangrijke rol speelt en overtuigd* is ook in de toekomst met of zonder hulp der Overheid een belangrijke rol te zullen spelen.

Van middelen om hem kunstmatig op de been te houden, moet de middenstand niets meer hebben. Hij heeft begrepen, dat zulke middelen toch geen doel treffen. Maar hij vraagt steun en hulp van de Overheid om des te beter in staat te zijn in bet belang des volks zijn gewichtige taak te Vervullen.

Tegenover zulk een middenstand kan de Overheid niet onverschillig zijn.

Sluiten