Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dachte: het offer dat men brengt,' geeft men om te ontvangen; het offe/r maakt vele zonden goed.

Uit dit motief zijn een stroom van liefdewerken voortgekomen, men denke aan de verpleging der melaatschen, die ontzettende ziekte, die in die tijden zoo hevig woedde.

De heilige Elisabeth wijdde in het bijzonder haar leven aan de verpleging der melaatschen uit liefde tot Hem, die om onzentwille was uitgedreven, naar de uitlegging van Jes. 53: „Hij was veracht en de onwaardigste onder de menschen en verzocht in krankheid", dat in de middeneeuwen gelezen werd als i „Hij was als een melaatsche".

Door de gedachte van offer ter wille van loon,, zegt Uhlhorn in zijn werk: „Die Chr.Liebestatigkeit", is de armenzorg, die alle armen en noodlijdende gemeenteleden omvat, niettegenstaande alle uitingen van liefde, niet bevorderd.

Later na den 30-jarigen krijg komt echter uit de Roomsche kerk een instelling voort, die vooral in Frankrijk waar ze ontstond, een rijk liefde-leven openbaarde en meer naar buiten trad in „les file» de la Charitê", de zusters van barmhartigheid.

Het schijnt dat de Fransche vrouw door combinatie van enthousiasme en volharding, bewegelijkheid en zin voor discipline in het bijzonder voor het werk van barmhartigheid geschikt is; zij vereenigt handigheid, beslistheid en vastberadenheid met de gave' van met zachtheid te heerschen.

Deze zusters van barmhartigheid zijn door én door een Fransche uiting, die men wel heeft getracht na te volgen, doch die nergens zoo tot haar recht kwam als in Frankrijk.

In den tijd na 1610, den glanstijd van de Fransche Koningen, valt ook de bloeitijd van de kerk. Er ontstaat een nauwe samenwerking tusschen vóórmannen in den dienst der barmhartigheid als Frans de Sales en Vincentius di Paulo met de vrouwen die hun behulpzaam zijn, waaronder Madame Chantal en Madame le Gras uitmunten. Volmaakte overgave wordt door Vincentius geëischt, maar het werk zelf wordt niet in de eerste plaats aan regelen gebonden; de arbeid wordt uit den nood geboren en ontbloeit onder het werken en streven.

Om de armenzorg in betere banen te leiden ontstond de „Confrérie de la Charité", een vereeniging van vrouwen en jonge meisjes, die zich wijdden aan plaatselijke armen en zieken, waaruit voortkwam de noodzakelijkheid van opleiding voor armenzorg en ziekenverpleging.

Het eerste jonge meisje, dat zich gaf aan deze opleiding en die naar Parijs kwam, om de armen en kranken te dienen, de eerste zuster van barmhartigheid, stierf aldaar bij de verpleging van een pestepidemie.

Nog te weinig voorbereiding, nog te weinig onderling verband was er, men had nog geen reserve, geen plaatsvervangsters in nood.

In Louise Marïllae, Madame le Gras heeft Vincentius de begaafde vrouw gevonden, die hem ter zijde stond. Zij begon haar levenswerk met vier jonge meisjes; 25 Maart 1634 legde Mevrouw le Gras de belofte af aan dit werk der opleiding haar leven te wijden.

Het nieuwe in het werk van Vincentius, want wij zagen immers,

Sluiten