Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet over spreken: „Is zij ook niet bewonderenswaardig — ytraagit ze — die kleine wijkplaats van ons? Zij neemt ons met vreugde op, als teêre, hulpelooze, lastige kinderen. Zij beeft een eervolle plaats voor ons, als wij zwak en gebrekkig zijn van ouderdom. Het tehuis geeft aan man blijmoedigheid en veerkracht, wanneer hij er in weerkeert, moe va© den arbeid. Het tehuis omhult hem even warm, hetzij de wereld hem verguist of verheft. Er heersdien daar geen wetten, maaT gewoonten en gebruiken, die men vollgit, omdat ze nuttig en doelmatig zijn. Êr wordt daar gestraft, niet om te straffen, maar om op te voeden. Paar is gelegenheid', elk soort gaven aan te wenden, maar wie goen talenten beeft, kan zich even bemind maken, ajs de meest verstandelijk begaafde, Het tehuis kan arme dienstboden in zijn Sfeer opnemen en ze levenslang behouden. Het tehuis verliest nóóit een der zijnen uit het gezicht, en daar wordt het beste kalf geslacht, als de verloren zoon wederkeert. Er is niets zoo geliefd, zoo Koog gewaardeerd, als dat wat de vrouw stichtte: het huisgezin — het gezinsleven".

Maar ik ga in dezen trant niet door. Ik ben hier niet gekomen om u als 't ware de heerlijkheid en de blijdschap van het gezinsleven in gloeiende bewoordingen te schetsen, dat ware nutteloos werk, een „prêcher pour les convertis". Als ik vanmiddag tot u spreek over de vrouw en het gezinsleven, dan is het omdat ik u en mezelf wil waarschuwen voor de gevaren, die ons gezinsleven in onzen tijd' bedreigen, gevaren, die waarlijk niet denkbeeldig zijn en die we wel onder de o ogen moeten zien.

Onder de gevaren, die ons, vrouwen, en ons gezinsleven bedreigen, zou ik willen noemen:

J. de nog zoo veelvuldig voorkomende beroepsarbeid der gehuwde vrouw;

2. de voortdurende stijging van alle arbeiderslOonen en het steeds duurder worden van alle dingen, die voor ons levensonderhoud noodig zijn;

3. de socialistische en revolutionaire idealen en de zoogenaamde moderne levensbeschouwing.

Alle weldenkende menschen zijn het — dunkt mij — er over eens, dat de beroepsarbeid der gehuwde vrouw een bedroevend versohijnsei is. Marianne Weber zegt, dat de „fürdhterliche Veröding des Heims" het ergste is. Daar is geen schrijver haast, die de vervloekingen van dien arbeid niet met schrille kleuren schildert.

Mej. Mr. E. C. van Dorp schrijft in haar praeadvies over de maatschappelijke beteekenis van den arbeid der gehuwde vrouw: „Ik zie geen ander gevolg van den beroepsarbeid der gehuwde vrouw dan een ethisch uit elkaar vallen van het gezin, een toenemende gemoedsonrust, een ten gronde richten van veel persoonlijk geluk. Waar het gezin niet de volle toewijding der moeder heeft, daar komt het te kort aan warmte en rust.

Niettegenstaande dit ales zien wij, dat de uittocht uit de gezinnen aanhoudt. Gansch ten onrechte heeft men dit verschijnsel toegeschreven aan vrouwen-emancipatie en aan hare ontworsteling aan maaiscbappeliiken en geestelijken druk.

Mej. Mr. van Dorp zegt: „De proletarische vrouw werkt niet uit een

Sluiten