Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan initiatief en doorzettingsvermogen bij de nieuwe vrouwelijke klerken en vele zouden toen reeds voornemens zijn geweest hun vrouwelijk personeel aanstonds na het eindigen van den oorlog weder weg te sturen".

Zoo wisselen lof en blaam elkander voortdurend af over den beroepsarbeid der vrouw in de vakken, die tot nu toe uitsluitend aan mannen werden toevertrouwd.

Wij moeten met deze abnormale toestanden eenigszins rekenen. Eenigsrins. Niet te veel. Deze toestanden kunnen niet blijvend zijn. Als eindelijk dè vrede gesloten ie en de gemobiliseerden overal terugkomen, zullen zij in de meeste gevallen hunne oude plaatsen wel weer innemen. Dit is hun dO&r Lloyd George beloofd en in de andere landen wordt deze wensch en verwachting ook uitgesproken. Toch zoude het zeer onwaarschijnlijk zijn als er van al dezen vermeerderden vrouwenarbeid niets overbleef. Er zullen vele weduwen zijn die voor het onderhoud van hun gezin moeten werken. En in sommige industrieën wenscht men de vrouwen niet meer te zien vertrekken.

Hoewel wat er in het ééne land gebeurt vanzelf ook invloed uitoefent op de toestanden in het andere land, wensch ik mij toch verder te bepalen bij onze Nederlandsche toestanden, waar zulk een geweldige omkeering der maatschappij niet heeft plaats gehad.

Hoe staan wij nu eigenlijk tegenover den beroepsarbeid der vrouw ten onzent?

Ik moet beginnen met te zeggen, dat wij ons schromelijk vergissen wanneer wij meenen, gelijk zoo velen doen, dat er thans niet alleen numeriek maar ook relatief veel meer vrouwen in beroepsarbeid werken dan een 50, 60, 70 jaar geleden.

Dit is niet zoo. De statistiek, die men dikwijls zoo dor vindt, maar die toch eigenlijk zoo welsprekend is, leert het ons anders. Volgens de beroepstelling van 1849 oefende ruim 21 pCt. van de vrouwelijke bevolking (de kinderen er onder begrepen) een beroep uit, in 1859 was het 18 pCt., in 1889 slechts 15,4 pCt., maar van toen af stijgt het gestadig tot 16,18 in 1899 en 18,3 pCt. in 1909. *)

Van 1849 tot 1889 dus een sterke daling van vrouwelijken arbeid. Dit is het gevolg van een sterke vermindering van kinderarbeid als resultaat van de sociale wetgeving, die kinderarbeid verbood. Tevens kwam er langzamerhand eèhfe daling in den arbeid der gehuwde vrouw. De stijging van de laatste jaren sinds 1889 komt geheel op rekening der ongehuwde volwassen vrouw.

In 1889 waren van alle beroepsarbeidsters 25,1 pCt. gehuwd, in 1899 22,5 pCt., in 1909' 23,3 pCt. Dit laatste cijfer lijkt een stijging aan te geven. Maar dit komt uitsluitend doordat in de rubriek landbouw dte gehuwde boerinnen als gehuwde beroepsarbeidfiters zijn meegeteld, hetgeen bij vroegere tellingen niet werd gedaan.

*)Mr. Clara Wichmann, m „De Vrouw in Nederland voor honderd jaar en thans", dioor D. J. van den Berch v. Eysinga, Elias en Mr. Clara Wichmann blz. 65 en 66.

Sluiten