Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De dah'rg in den arbeid der gehuwde vrouw is een typisch Nederlandsch verschijnsel. In Duitschland was er vóór den oorlog reeds het omgekeerde; in Engeland evenzeer, hoewel de stijging vóór den oorlog tot stilstand was gekomen. Zoude de meer huiselijke aard van de Nederlandsche vrouw zich hier kenbaar maken?

De stijging komt dus op rekening van de ongehuwde volwassen vrouw. En nu moeten wij hierbij nog eene beperking maken. De vrouwenarbeid in de arbeidersklasse en in de kleine burgerij was reeds sinds eeuwen zeer veelvuldig. Het is echter onze tijd die de vrouw uit de hoogere burgerklassen, ja somtijds zelfs uit de patricische en aristocratische geslachten aan het werk heeft gezet. Van de ongehuwde vrouwen boven de 18 tot aan 50 jaren oefent thans de meerderheid een beroep uit.

Ik aarzel niet dit zeer beslist op de creditzijde van onzen tijd te boeken.

Hoe menige ongetrouwde vrouw uit den beschaafden stand sleet een droevig, kleurloos bestaan, vruchteloos wachtend op een man, opgaand in beuzelarijtjes, jaloezietjes, of wel hare krachten versnipperend aan allerlei goed bedoelde maar onsystematische philanthropie. En dit ras is nog niet uitgestorven al gaan de exemplaren gelukkig tot de zeldzaamheden behooren.

Als zij geen fortuin had, was zij veelal tot een last voor hare familie, die het steeds betreurde dat zij niet tot een huwelijk was gekomen.

Sommigen voelden niet hoe beperkt haar leven was, gelijk een vogeltje, dat in een kooi werd geboren, de vrijheid niet mist; anderen, wien d!e drang naar vrijheid, naar zelf ontplooiing ingeboren was, leden bitter. Natuurlijk waren er ook vroeger gelukkige uitzonderingen. Er waren er die tehuis werkelijke plichten hadden te vervullen, die zich in hunne omgeving in grooten of kleinen kring zeer nuttig wisten te maken. Ik denk hierbij b.v. aan zoovele werkzame dames op het platteland, die een zegen waren voor de omringende bevolking, al deed ook hier het gebrek aan opleiding zich wel eens gevoelen.

Bovenal zij, die waarlijk God willen dienen, worden steeds door Hem gebruikt en voelen zich in dien dienst bevredigd. Maar toch ook voor hen was het dikwijls moeilijk. Ik heb onlangs onuitgegeven brieven gelezen uit de jaren 1860—1870 van een edele jonge vrouw aan hare zuster, en ben diep onder den indruk van den strijd, die daaruit spreekt.

Het was iemand, begaafd' naar alle kanten en bezield met liefde tot God en de menschen. Zij wilde het leven aanvaarden als eene gave uit Gods hand, maar de haar omringende maatschappij maakte het haar zoo moeilijk. Zij kon hare gaven en talenten niet tot haar recht laten komen, totdat zij op 30-jarigen leeftijd een huwelijk deed, dat haar zeer gelukkig maakte.

En bij hoevelen was dit niet het geval. Niet alleen bij haar die ongehuwd bleven, ook bij haar die later trouwden. En bij sommigen werd het huwelijk aangegrepen als een redmiddel, om te ontkomen aan een vegeteerend leven, dat den naam van leven eigenlijk niet dragen mag.

Sluiten