Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zegt men dat ik hiermede geheel tot de ouderwetsche opvatting omtrent de vrouw terugkeer, zoo protesteer ik hiertegen. Het offer moet vrijwillig worden gebracht en niet gedwongen of uit sleur, uit gewoonte, omdat er zich niets anders voordoet.

Dat er eenige wijziging gekomen is in de soorten van arbeid aan de vrouw opgedragen, zien wij reeds uit de door mij genoemde vrije beroepen, waarin de vrouw zich langzamerhand een plaats heeft verworven.

De omkeer waar ik in het begin op doelde, bestaat dus niet daarin dat er relatief meer vrouwen werken dan in vroegere jaren, maar dat het gedeeltelijk andere vrouwen zijn en dat zij gedeeltelijk ander werk verrichten.

Moeten wij het goedkeuren of niet, dat de vrouw tot de zoogenaamde hoogere beroepen wordt toegelaten, of moeten wij daarin zien een verloochenen van de natuur der vrouw, een veronachtzamen van de huiselijke bezigheden, een omkeering, zooals sommigen meenen, vam de door God ingestelde natuurorde?

Ik persoonlijk kan mij niet anders dan verblijden over deze vrijheid die aan de vrouw geschonken wordt en ik denk hierbij aan het woord van Sehiller:

„Für den Sklaven wenn er die Ketten bricht, Für den freien Menschen erzittert nicht."

De vrijheid zal misschien, neen zeker, wel eens misbruikt worden en zal bij de getrouwde vrouw althans wel eens leiden tot verwaarloozing van hare taak als vrouw en moeder. Maar wat wordt er in deze zondige wereld nooit misbruikt?

Optima corrupta pessima simt.

Wie een maatregel zou willen weren omdat hij wel eens tot misbruiken aanleiding kan geven, zou ten slotte geen enkele verandering of hervorming meer voorstaan. Het Christendom is de godsdienst der vrijheid. Wij moeten het met de vrijheid wagen en aan de individueele gewetens de toepassing overlaten.

Sommigen meenen dat de vrouw door zich in het publieke leven te mengen en beroepen op zich te nemen, die tot nu toe alleen aan mannen werden toevertrouwd, hare vrouwelijke bekoring zou verliezen.*)

Ik meen dat het „ewig Weibliche" dieper zit, dan dat het door eenige btudie of werkzaamheid zou worden verdreven. De vrouwen aan de Universiteit toonen nog steeds veel bekoring voor hunne mannelijke collega's te hebben, getuige de vele verlovingen die aldaar ontstaan. Ook als eene vrouw hetzelfde doet als een man, doet zij het op andere wijze. Toch is het goed dat studeerende en werkende vrouwen dit gevaar onder de oogen zien.

Het feit dat een jong meisje, van welken stand ook, de wereld voor zich heeft en een ruim veld van werkzaamheden voor zich ziet, waaruit zij kan kiezen, dat zij niet behoeft te wachten op het huwelijk om zich te kunnen

*) Zie de Kroniek van de „Stemmen voor Waarheid en Vrede", van Jan. 1910.

Sluiten