Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lichamelijk en geestelijk geschikt zrju voor de academische studie en dat ouders dit probleem pok ernstig onder de oogen zien. Er is eenig gevaar dat de universitaire studie voor meisjes een modezaak wordt en dat vele er door imitatiezucht gedreven naar toe gaan. Zoo iets loopt natuurlijk op mislukking uit.

Voor vele vrouwen is een opleiding tot eenvoudiger beroepsarbeid, tot den schoonen arbeid van diacones of verpleegster of tot sociaal werk, zooals de School voor Maatschappelijk Werk, de Diaconessenschool beoogt, veel geschikter dan de streng wetenschappelijke opleiding.

Nu de vrouw zich zulk eene belangrijke plaats op de wereldmarkt heeft veroverd, komt de vraag steeds meer op den voorgrond: hoe verhoudt zich het loon dat zij verdient tegenover dat van den man?

Het antwoord is niet twijfelachtig. In de meeste gevallen is het loon van de vrouw aanmerkelijk minder dan dat van haren mannelijken collega. Bij den arbeid gedurende den oorlog blijkt dit ook telkens in alle landen.

In een Fransche statistiek van L. de Pissargewski *) wordt uitgerekend dat het vrouwenloon in Busland 60 a 70 pCt. van het mannenloon bedraagt; in Denemarken 65 pCt., in Noorwegen! 55 a 60 pCt., in Frankrijk 60 pCt., in Oostenrijk-Hongarije 65 pCt., in de Vereenigde Staten 60 pCt., in Engeland 55 pCt.

De verhouding blijkt dus het gunstigst in Europeesch Busland, Denemarken en Oostenrijk-Hongarije, het ongunstigst in Duitschland, Engeland en België. Van Holland is geen statistiek opgegeven.

Hoewel hoogst nauwkeurig opgemaakt heeft deze statistiek toch slechts betrekkei ij ke waarde (de heer De Pissargewski, die ze opmaakte, is de eerste om dit te erkennen). Vooreerst omdat ze niet alle over denzelfden tijd loopen, de Engelsche cijfers dateeren v,an 1908—1909, de Fransche reeds van 1893, de Deensche en Noorsche eindigen bij 1905, de Zweedsche en Oostenrijksche worden tot 1908 voortgezet.

Maar vooral geldt deze bedenking. De cijfers geven het tijdloon op, terwijl men in verschillende takken van nijverheid, soms ook van landbouw, niet kan zien of de door mannen en vrouwen verrichte werkzaamheden precies dezelfde waren.

Bij de weefindustrie in Engeland is het anders. Daarin vinden wij voor de katoenweverijen, waar iedere arbeidskracht man of vrouw 4 getouwen bedient, een loonsverhoogingscijfer genoteerd van 94 pCt.; in de wolweverijen, bij de bediening van één getouw van 62 pCt.; in de linnenweverijen bij de bediening van 2 getouwen 79 pCt.

Hier is het dus precies dezelfde arbeid, geen tijdloon maar stukloon, die echter ongelijk wordt betaald. Dit doet ons vermoeden dat ook in

*) Deze statistiek, evenals de gegevens en cijfers die nu volgen, zijn door mij overgenomen uit de belangwekkende studie van Anna Polak „Gelijk Loon voor gelijken arbeid". Overdruk uit „Onze Eeuw" 1917. No. 28 der goedkoope uitgaven, -bewerkt aan het Bureau voor Vrouwenarbeid, Van Speykstraat 30, 's-Gravenhage. Prijs f 0.30.

Sluiten